Toen ik voor mijn 14de verjaardag een boek cadeau kreeg over molens in de Nederlandse provincie Overijssel, waar Twente het meest oostelijke deel van vormt, was ik meteen verkocht. Die zomer treinde ik acht dagen vanuit Haarlem naar het oosten van Nederland om de watermolens te bezoeken en op zwart-wit negatieffilm vast te leggen. Als jochie uit het platte deel van Nederland kende ik enkel windmolens. Een molen die door het water van een beek werd aangedreven, had ik nog nooit gezien. De watermolens van Twente kwamen dan ook als een totale verrassing, wat me diep in mijn romantische tienerhart raakte.
...

Toen ik voor mijn 14de verjaardag een boek cadeau kreeg over molens in de Nederlandse provincie Overijssel, waar Twente het meest oostelijke deel van vormt, was ik meteen verkocht. Die zomer treinde ik acht dagen vanuit Haarlem naar het oosten van Nederland om de watermolens te bezoeken en op zwart-wit negatieffilm vast te leggen. Als jochie uit het platte deel van Nederland kende ik enkel windmolens. Een molen die door het water van een beek werd aangedreven, had ik nog nooit gezien. De watermolens van Twente kwamen dan ook als een totale verrassing, wat me diep in mijn romantische tienerhart raakte. Een halve eeuw en menig wereldreis later vind ik de Twentse watermolens nog steeds tot de mooiste gebouwen van de planeet behoren. Het zijn organisch gegroeide structuren. En elke generatie molenaars heeft zijn steentje bijgedragen. Het molengebouw moet zich voegen naar de vorm van het beekdal om optimaal te functioneren. Bij de mooiste exemplaren zijn natuur en architectuur tot een schilderachtige eenheid vergroeid. Het is niet voor niets dat grote 17de-eeuwse landschapsschilders als Meindert Hobbema en Jacob van Ruisdael - en later zelfs Vincent van Gogh - hun ezels vaak aan de rand van een mo- lenvijver opstelden. Ze moeten daar, net als ik, gegrepen zijn door de schuine strepen zonlicht, die door het gebladerte van eeuwenoude bomen schijnen en het oranje van pannendaken fel doen oplichten. Door het wit schuimende water, dat langs de zwarte houten raderen ruist. Door de geur van de druppels, die als een verfrissend aroma op de zinnen inwerkt. En door de libellen, die lui over de spiegelingen in de molenvijver zweven. In mijn uit 1972 daterende molenboek stonden ook een paar zwart-witfoto's van watermolens onder een pak sneeuw, die me destijds bijzonder intrigeerden. Maar een winterbezoek aan Twente is er altijd bij ingeschoten. Toen vorige winter een koufront Oost-Overijssel onder een flinke laag sneeuw bedekte, greep ik eindelijk mijn kans. Ik moet toegeven dat ik vreesde dat de werkelijkheid weleens zou kunnen tegenvallen ten opzichte van mijn tienerdroom. Het tegendeel bleek echter het geval. De fotografische schoonheid van het onderwerp raakte me misschien nog wel dieper dan destijds. Dat kwam natuurlijk mede doordat de sfeer compleet anders was dan tijdens een zomers bezoek: geurend water en dansende libellen hadden plaatsgemaakt voor een verijsde en verstilde wereld. Watermolen Bels verschool zich nog intiemer tussen de besneeuwde dalwanden van de Mosbeek dan destijds. De Oostendorper Watermolen lag in een tot leven gewekt winterschilderij van Van Ruisdael. Opgewaaide sneeuw dwarrelde als een glinsterende vitrage door de sluis van de Oldemeule. En bij de Molen Frans kleurde het rad oranje, doordat de ijspegels het licht van de ondergaande winterzon weerkaatsten. Mijn tienerdroom was niet uit elkaar gespat, maar getransformeerd tot een prachtig wintersprookje. Tekst en foto's: Mick Palarczyk