Bij de naam Genk denken we aan een stadscentrum met shoppingcentra, aan industrieterreinen en aan een sites en cités rond de vroegere steenkoolmijnen. Dat was ooit anders.

Tot aan het begin van de steenkoolindustrie (1920-1930) was Genk een dunbevolkt Kempens dorp met uitgestrekte heidevlakten, moerassen, vijvers en arme gehuchten met nederige hoevetjes.

Vandaag weet bijna niemand het nog, maar juist die eenzame landschappen en het arme boerenleven hadden tussen 1850 en 1930 een grote aantrekkingskracht op landschapsschilders. Gedurende tachtig jaar kwamen tal van kunstenaars uit vooral Brussel en Antwerpen in de zomermaanden naar Genk om er in open lucht hun schildersezel neer te zetten. Als kunstenaarskolonie moest Genk zeker niet onderdoen voor het vandaag veel bekendere Franse dorp Barbizon in de buurt van Fontainebleau.

"Station des artistes"

Dit onbekende artistieke erfgoed van eigen bodem herleeft vandaag in het sfeervolle Emile Van Dorenmuseum. Deze villa werd gebouwd door Emile Van Doren. Deze Franstalige Brusselse kunstschilder, geboren in 1865, had kort na zijn academietijd Genk ontdekt en daar ook zijn toekomstige vrouw ontmoet. In 1893 liet hij zich als inwoner in de gemeente inschrijven en hij zou er nooit meer weg gaan. Na zijn bruiloft in 1898 kocht hij een herberg op. Samen met zijn vrouw Cidonie Raikem bouwde hij die om tot een hotel voor kunstenaars.

Zijn "Hôtel des Artistes" vormde meteen concurrentie voor een ander hotel ("Hôtel de la Cloche"), dat tot dan toe veel residerende schilders onderdak had gegeven. De aanwezigheid van twee hotels bewijst meteen hoe populair Genk als kunstenaarskolonie moet geweest zijn. Vooral na 1874, toen de spoorlijn naar Genk in gebruik werd genomen, groeide hun aantal. In Brussel en Antwerpen kreeg het Limburgse dorp de bijnaam "station des artistes".

Keetje Tippel

In zijn boek "Genk door schildersogen" lijst Kristof Reulens, de conservator van het Emile Van Dorenmuseum, de namen van ruim 180 Belgische en buitenlandse schilders en tekenaars op die ooit op enig moment in Genk hebben gewerkt. Hun landschapsschilderijen en - tekeningen lagen behoorlijk goed in de markt bij de burgerij. Arme bohémiens zijn de meesten van hen zeker nooit geweest. Tijdens de belle epoque lieten sommigen, zoals Emile Van Doren, er zelfs een villa bouwen net buiten de oude dorpskern.

De kunstenaarsschool van Genk wordt opgedeeld in vier generaties. Het was de vierde generatie (na 1918) die het arme dorp zag evolueren naar een mijnbouw- en industriegebied. Sommige schilders lieten die ommekeer ook zien in hun werken, maar anderen deden alsof er niets aan de hand was met al die idyllische plekjes.

De meeste namen uit die vier generaties zeggen ons vandaag niets meer. Met uitzondering wellicht van Alphonse Asselbergs, Emile Claus, Ludovic Janssen, Armand Maclot en Theo Van Rysselberghe. De reputatie van Genk als artiestendorp trok ook gegoede toeristen en schrijvers aan. Van deze laatste groep is de meest bekende Neel Doff, de schrijfster van een succesboek waarin ze haar eigen jeugd als prostituée vertelde. Haar verhaal werd de basis voor de film "Keetje Tippel". Neel Doff had jarenlang een buitenverblijf in Genk en genoot er volop van het leven in het kunstenaarsmilieu.

"Niet in mijn atelier"

Een bezoek aan het Emile Van Dorenmuseum is letterlijk een stap terug in de tijd. De villa - inclusief al het meubilair en de siervoorwerpen - is vrijwel onaangeroerd gebleven sinds de dood van de schilder in 1949. Ze werd gebouwd in 1913 en dat zult u meteen herkennen aan de art nouveau-elementen.
Schilderijen, affiches en foto's in de kamers roepen de vier generaties van de Genkse landschapsschool op. Met wat geluk is tijdens uw bezoek de conservator zelf aanwezig, want die zal u met veel enthousiasme en anekdotes onderdompelen in het boeiende verhaal.
Een deel van de villa dient vandaag als woning voor een "artist in residence". Het meest verrassende deel is echter het grote en hoge atelier. Vanop de eerste verdieping kijkt een mezzanine op deze ruimte uit. Emile Van Doren wilde dat kandidaat-kopers van op deze mezzanine een beter zicht kregen op zijn schilderijen. Het was ook de enige plek waar zijn familieleden en de schoonmaakster mochten komen: het atelier zelf was voor hen verboden terrein.

Praktisch

Het Emile Van Dorenmuseum vindt u aan de Henri Decleenestraat 21 in Genk. Het is alleen open op zondag van 14 tot 18 uur. Toegang gratis. Voor groepen zijn ook geleide bezoeken op andere dagen mogelijk.

Meer info: Uit in Genk, tel. 089 65 44 80 en www.uitingenk.be

Bij de naam Genk denken we aan een stadscentrum met shoppingcentra, aan industrieterreinen en aan een sites en cités rond de vroegere steenkoolmijnen. Dat was ooit anders. Tot aan het begin van de steenkoolindustrie (1920-1930) was Genk een dunbevolkt Kempens dorp met uitgestrekte heidevlakten, moerassen, vijvers en arme gehuchten met nederige hoevetjes. Vandaag weet bijna niemand het nog, maar juist die eenzame landschappen en het arme boerenleven hadden tussen 1850 en 1930 een grote aantrekkingskracht op landschapsschilders. Gedurende tachtig jaar kwamen tal van kunstenaars uit vooral Brussel en Antwerpen in de zomermaanden naar Genk om er in open lucht hun schildersezel neer te zetten. Als kunstenaarskolonie moest Genk zeker niet onderdoen voor het vandaag veel bekendere Franse dorp Barbizon in de buurt van Fontainebleau. Dit onbekende artistieke erfgoed van eigen bodem herleeft vandaag in het sfeervolle Emile Van Dorenmuseum. Deze villa werd gebouwd door Emile Van Doren. Deze Franstalige Brusselse kunstschilder, geboren in 1865, had kort na zijn academietijd Genk ontdekt en daar ook zijn toekomstige vrouw ontmoet. In 1893 liet hij zich als inwoner in de gemeente inschrijven en hij zou er nooit meer weg gaan. Na zijn bruiloft in 1898 kocht hij een herberg op. Samen met zijn vrouw Cidonie Raikem bouwde hij die om tot een hotel voor kunstenaars. Zijn "Hôtel des Artistes" vormde meteen concurrentie voor een ander hotel ("Hôtel de la Cloche"), dat tot dan toe veel residerende schilders onderdak had gegeven. De aanwezigheid van twee hotels bewijst meteen hoe populair Genk als kunstenaarskolonie moet geweest zijn. Vooral na 1874, toen de spoorlijn naar Genk in gebruik werd genomen, groeide hun aantal. In Brussel en Antwerpen kreeg het Limburgse dorp de bijnaam "station des artistes". In zijn boek "Genk door schildersogen" lijst Kristof Reulens, de conservator van het Emile Van Dorenmuseum, de namen van ruim 180 Belgische en buitenlandse schilders en tekenaars op die ooit op enig moment in Genk hebben gewerkt. Hun landschapsschilderijen en - tekeningen lagen behoorlijk goed in de markt bij de burgerij. Arme bohémiens zijn de meesten van hen zeker nooit geweest. Tijdens de belle epoque lieten sommigen, zoals Emile Van Doren, er zelfs een villa bouwen net buiten de oude dorpskern. De kunstenaarsschool van Genk wordt opgedeeld in vier generaties. Het was de vierde generatie (na 1918) die het arme dorp zag evolueren naar een mijnbouw- en industriegebied. Sommige schilders lieten die ommekeer ook zien in hun werken, maar anderen deden alsof er niets aan de hand was met al die idyllische plekjes. De meeste namen uit die vier generaties zeggen ons vandaag niets meer. Met uitzondering wellicht van Alphonse Asselbergs, Emile Claus, Ludovic Janssen, Armand Maclot en Theo Van Rysselberghe. De reputatie van Genk als artiestendorp trok ook gegoede toeristen en schrijvers aan. Van deze laatste groep is de meest bekende Neel Doff, de schrijfster van een succesboek waarin ze haar eigen jeugd als prostituée vertelde. Haar verhaal werd de basis voor de film "Keetje Tippel". Neel Doff had jarenlang een buitenverblijf in Genk en genoot er volop van het leven in het kunstenaarsmilieu. Een bezoek aan het Emile Van Dorenmuseum is letterlijk een stap terug in de tijd. De villa - inclusief al het meubilair en de siervoorwerpen - is vrijwel onaangeroerd gebleven sinds de dood van de schilder in 1949. Ze werd gebouwd in 1913 en dat zult u meteen herkennen aan de art nouveau-elementen. Schilderijen, affiches en foto's in de kamers roepen de vier generaties van de Genkse landschapsschool op. Met wat geluk is tijdens uw bezoek de conservator zelf aanwezig, want die zal u met veel enthousiasme en anekdotes onderdompelen in het boeiende verhaal. Een deel van de villa dient vandaag als woning voor een "artist in residence". Het meest verrassende deel is echter het grote en hoge atelier. Vanop de eerste verdieping kijkt een mezzanine op deze ruimte uit. Emile Van Doren wilde dat kandidaat-kopers van op deze mezzanine een beter zicht kregen op zijn schilderijen. Het was ook de enige plek waar zijn familieleden en de schoonmaakster mochten komen: het atelier zelf was voor hen verboden terrein. Het Emile Van Dorenmuseum vindt u aan de Henri Decleenestraat 21 in Genk. Het is alleen open op zondag van 14 tot 18 uur. Toegang gratis. Voor groepen zijn ook geleide bezoeken op andere dagen mogelijk. Meer info: Uit in Genk, tel. 089 65 44 80 en www.uitingenk.be