Ruimte. Zo duizelingwekkend veel ruimte dat je niet weet wat je ermee aan moet. Het is het eerste wat bij me opkomt als we de luchthaven van Montreal verlaten. De snelweg strekt zich voor ons uit als een eindeloze streep asfalt die dennenwouden doorklieft. Quebec beslaat meer dan anderhalf miljoen vierkante kilometer - ruim 50 keer België! - en telt slechts acht miljoen inwoners. De uit de kluiten gewassen provincie is bezaaid met talrijke mooie gehuchten in godvergeten uithoeken, vriendelijke ambachtslui en ongelooflijke plekken.
...

Ruimte. Zo duizelingwekkend veel ruimte dat je niet weet wat je ermee aan moet. Het is het eerste wat bij me opkomt als we de luchthaven van Montreal verlaten. De snelweg strekt zich voor ons uit als een eindeloze streep asfalt die dennenwouden doorklieft. Quebec beslaat meer dan anderhalf miljoen vierkante kilometer - ruim 50 keer België! - en telt slechts acht miljoen inwoners. De uit de kluiten gewassen provincie is bezaaid met talrijke mooie gehuchten in godvergeten uithoeken, vriendelijke ambachtslui en ongelooflijke plekken.We laten de toeristische trekpleisters Montreal en Quebec links liggen en starten ons avontuur in Trois-Rivières, de grootste stad van de regio Mauricie. Brede straten met rechte hoeken, gebouwen met vierkante bakstenen, alles ademt de sfeer uit van het Amerika van de jaren '30. Maar schijn bedriegt. "We bevinden ons hier in de op één na oudste stad van de provincie Quebec", vertelt onze gids, die verkleed is als een straatveger uit die tijd. "De stad werd in 1634 gesticht, maar in 1908 verwoest door een vreselijke brand, die bijna het hele centrum van de kaart veegde." De hoger gelegen delen van de stad zijn bewaard gebleven. Het oude klooster en de huisjes in een oase van groen vormen een idyllisch plaatje. Tot we de oude gevangenis ontdekken! Ze werd geopend in 1822 en was onafgebroken in gebruik tot ze in 1986, onder druk van Amnesty International, gesloten werd. De gevangenen verbleven er in mensonterende omstandigheden: ze zaten in vochtige onderaardse cellen, er waren bedwantsen en ze kregen te maken met geweld en mishandeling. Een ex-bajesklant, een potige vrachtwagenchauffeur met een hart zo groot als zijn tatoeages, leidt ons rond. In een kleine cel, die vroeger overbevolkt was, vertelt hij ons, met een krop in de keel, over zijn gruwelijke tijd op deze helse plek.Het is trouwens een van de sterkhouders van Quebec: het kleinste museum, het kleinste erfgoed komt vaak helemaal tot zijn recht dankzij uit het leven gegrepen gidsen en een prachtige scenografie.We zijn opgelucht wanneer we weer buiten in het zonnetje lopen. Snel een biertje om te bekomen van de emoties - de plaatselijke brouwerijen leveren uitstekend werk - en daar gaan we weer. We volgen de Saint-Laurentrivier en belanden zo in de regio van Charle-voix. Ook hier worden we overvallen door de uitgestrektheid van het landschap. De wilde oevers van de rivier vormen een schitterend gezicht: we kunnen kilometers ver kijken, terwijl een frisse wind ons gelaat streelt. Niet te verwonderen dat deze streek geliefd is bij schilders. We stoppen even bij de kleine zuivelfabriek van Charlevoix. Onze gids en chauffeur praten vol lof over de kaaswrongel alhier. De klompjes verse cheddar vind je terug in de beroemde poutine - frieten met gesmolten kaas en bruine jus - waar de Quebecois zo dol op zijn. Wat wij ervan vinden? Het smaakt zout en kraakt tussen je tanden, maar verder... Gelukkig is dat de enige culinaire ervaring waarmee Quebec ons wil verleiden.Na een kort bezoek aan het maritiem museum van Charlevoix, waar een jongensdroom uitkomt en ik aan het roer van een schoener mag staan, ontdekken we het vredige Isle-aux-Coudres, dat je vanaf het vasteland enkel per veerboot kan bereiken. Het eiland heeft een bijzonder reliëf door de inslag van een reusachtige meteoriet 350 miljoen jaar geleden. Te midden van de heuvels die zonder overgang in het water duiken, lijkt de boot die onze auto vervoert een onooglijk speeltje, overgeleverd aan de grillen van de natuur. We laten de Saint-Laurent achter ons en rijden noordwaarts naar een van zijn zijrivieren, de Saguenay. Onderweg wordt het landschap ongerepter en de dorpjes zeldzamer. Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, de hele reis lang komen we geregeld Belgen tegen die verliefd werden op de streek en hier zijn komen wonen: een chocolatier, een producent van tomatenwijn (!), een schrijnwerker...We bereiken de site van La Nouvelle France, waar het 17de-eeuwse dagelijkse leven van de kolonie Quebec wordt uitgebeeld. In de houten huisjes zitten verklede figuranten - een jezuïet, een cafébazin, een gouverneur, een Huron-indiaan - die de bezoekers aanspreken alsof ze pas gearriveerde kolonisten zijn. Het is lang geleden dat een predikant zijn ongenoegen uitte over mijn gedrag! We voelen ons net figuranten in een film en dat is niet zo verwonderlijk: het gaat hier om oude filmdecors op ware grootte die versmelten met het spectaculaire landschap.We zetten koers naar het westen, blijven de rivier volgen en komen zo bij het reusachtige Lac Saint-Jean, een van de grootste waterbekkens van Quebec. Onderweg klinken de plaatsnamen almaar Amerikaans-indiaanser: Chicoutimi, Metabetchouan. In Mashteuiatsh, bij het meer, komen we meer te weten over de Innu-cultuur. Elk jaar trekken de Innu-indianen tijdens het jachtseizoen per kano naar hun gebieden in het noorden om een voorraad Canadese eland en ander wild in te slaan. Hun cultuur werd lange tijd verdrongen, net als die van de andere First Nations - de term waarmee Canada de Amerikaans-indiaanse volkeren aanduidt -, maar wordt sinds enkele decennia weer in eer hersteld.Als de avond valt, moeten we vertrekken. Na meer dan 700 km in vijf dagen, logeren we in Val-Jalbert, een authentieke spookstad die is omgetoverd tot een openluchtmuseum. Een general store, een oude school, een verlaten fabriek uit de jaren '20,... het plaatje klopt helemaal. De meeste huizen zijn vervallen, maar gelukkig werden enkele woningen opgeknapt tot comfortabele logies.Buiten is het zo goed als stil, je hoort enkel het geschreeuw van een nachtvogel en in de verte het doffe geraas van de waterval. Door het raam van mijn kamer kijk ik naar de woning aan de overkant, die er spookachtig uitziet in het zachte maanlicht. Morgen hebben we nog een lange weg af te leggen naar Montreal, waar het vliegtuig wacht. Een bezoek aan de hoofdstad en de plaats waaraan de provincie haar naam dankt, zal voor een andere keer zijn, maar dat geeft niet. Ik heb een ander Quebec leren kennen!