Tussen 1830 en 1851 gaven in ons land alleen privébanken biljetten uit. Dat was niet handig, want er waren verschillende biljetten in omloop. "Daarom werd naar Frans en Nederlands voorbeeld ook een Belgische Nationale Bank opgericht", vertelt Marianne Danneel van het museum. "Maar vergis u niet in de hoeveelheid van dat papieren geld. De eerste gouverneur signeerde elk uitgegeven biljet van de eerste uitgifte eigenhandig!"

Alternatieven voor ruilhandel

In de voormalige kantoren van de gouverneur en in de inkomhal, komt de geschiedenis van het geld tot leven. "Aanvankelijk bestond er vooral ruilhandel", vertelt Marianne Danneel. "Maar zoals het spreekwoord zegt: Wanneer er twee ruilen, moet er één huilen. Men ging dus al snel op zoek naar alternatieven."

In een vitrine liggen een aantal kleine kaurischelpjes, die in Azië en Afrika lange tijd als de dollar van het goederengeld golden. Op het eiland Yap, boven Indonesië, gebruikten ze ronde platte stenen met een gat in het midden. Hoe groter de steen was, hoe meer waarde hij had. De grootste exemplaren hadden een diameter van vier meter, niet bepaald een handig betaalmiddel! De stenen werden bovendien voor de hutten van de families geplaatst, kwestie van de sociale status nog wat te accentueren. Op Santa Cruz werden de rode veertjes van de kardinaalsvogel als betaalmiddel gebruikt. In China werd dat thee en in warme streken het daar erg kostbare zout.

Het waren de Chinezen die als eersten munten begonnen te smelten en in het westen waren het de Grieken die uit goud of edelmetaal munten sloegen. Maar in de renaissance kwam het geldverkeer pas goed op gang. Er zijn tal van munten uit die periode te bewonderen. Ze werden gewogen en de hoeveelheid edelmetaal bepaalde de waarde. Toen de Spanjaarden massa's zilver uit Zuid-Amerika haalden, kwam er ruimte om nog meer munten te slaan.

De eerste biljetten

De Chinezen kenden al in de 14de eeuw papieren geld. Toen Marco Polo van zijn reis terugkwam vertelde hij dat de Chinezen "vliegend geld" hadden, maar niemand geloofde hem. Pas in de 17de eeuw kwam een Zweedse bank met de eerste biljetten op de proppen. U ziet in het museum hoe die eerste geldbriefjes diverse stempels meekregen en veelvuldige handtekeningen droegen, omdat de mensen er geen vertrouwen in hadden. Papieren geld wordt daarom fiduciair, vertrouwelijk geld genoemd.

Ook wie nostalgisch is naar de oude Belgische biljetten ten tijde van Leopold I tot de komst van de euro komt in het museum aan zijn trekken. Zo zijn er noodbiljetten uit de Eerste Wereldoorlog te zien, toen bepaalde gemeenten hun eigen biljetten drukten.

En dat het inflatiespook van alle tijden is, getuigen de biljetten met monsterbedragen. Een Duits biljet van 100 miljard mark uit de jaren twintig, een briefje van 5 miljoen Zaïre uit het Mobutu-tijdperk, een recent biljet uit 1993 van 500 miljard dinar uit Joegoslavië.

Praktisch

Museum van de Nationale Bank, Wildewoudstraat 10, 1000 Brussel, (5 minuten van het Centraal Station), geopend di-zo: 10-18 uur. Toegang: ? 5 (60+: ? 3 - gids: ? 1). Info: 02 221 22 06 en www.nbb.be

Tussen 1830 en 1851 gaven in ons land alleen privébanken biljetten uit. Dat was niet handig, want er waren verschillende biljetten in omloop. "Daarom werd naar Frans en Nederlands voorbeeld ook een Belgische Nationale Bank opgericht", vertelt Marianne Danneel van het museum. "Maar vergis u niet in de hoeveelheid van dat papieren geld. De eerste gouverneur signeerde elk uitgegeven biljet van de eerste uitgifte eigenhandig!"In de voormalige kantoren van de gouverneur en in de inkomhal, komt de geschiedenis van het geld tot leven. "Aanvankelijk bestond er vooral ruilhandel", vertelt Marianne Danneel. "Maar zoals het spreekwoord zegt: Wanneer er twee ruilen, moet er één huilen. Men ging dus al snel op zoek naar alternatieven." In een vitrine liggen een aantal kleine kaurischelpjes, die in Azië en Afrika lange tijd als de dollar van het goederengeld golden. Op het eiland Yap, boven Indonesië, gebruikten ze ronde platte stenen met een gat in het midden. Hoe groter de steen was, hoe meer waarde hij had. De grootste exemplaren hadden een diameter van vier meter, niet bepaald een handig betaalmiddel! De stenen werden bovendien voor de hutten van de families geplaatst, kwestie van de sociale status nog wat te accentueren. Op Santa Cruz werden de rode veertjes van de kardinaalsvogel als betaalmiddel gebruikt. In China werd dat thee en in warme streken het daar erg kostbare zout. Het waren de Chinezen die als eersten munten begonnen te smelten en in het westen waren het de Grieken die uit goud of edelmetaal munten sloegen. Maar in de renaissance kwam het geldverkeer pas goed op gang. Er zijn tal van munten uit die periode te bewonderen. Ze werden gewogen en de hoeveelheid edelmetaal bepaalde de waarde. Toen de Spanjaarden massa's zilver uit Zuid-Amerika haalden, kwam er ruimte om nog meer munten te slaan. De Chinezen kenden al in de 14de eeuw papieren geld. Toen Marco Polo van zijn reis terugkwam vertelde hij dat de Chinezen "vliegend geld" hadden, maar niemand geloofde hem. Pas in de 17de eeuw kwam een Zweedse bank met de eerste biljetten op de proppen. U ziet in het museum hoe die eerste geldbriefjes diverse stempels meekregen en veelvuldige handtekeningen droegen, omdat de mensen er geen vertrouwen in hadden. Papieren geld wordt daarom fiduciair, vertrouwelijk geld genoemd. Ook wie nostalgisch is naar de oude Belgische biljetten ten tijde van Leopold I tot de komst van de euro komt in het museum aan zijn trekken. Zo zijn er noodbiljetten uit de Eerste Wereldoorlog te zien, toen bepaalde gemeenten hun eigen biljetten drukten. En dat het inflatiespook van alle tijden is, getuigen de biljetten met monsterbedragen. Een Duits biljet van 100 miljard mark uit de jaren twintig, een briefje van 5 miljoen Zaïre uit het Mobutu-tijdperk, een recent biljet uit 1993 van 500 miljard dinar uit Joegoslavië. Museum van de Nationale Bank, Wildewoudstraat 10, 1000 Brussel, (5 minuten van het Centraal Station), geopend di-zo: 10-18 uur. Toegang: ? 5 (60+: ? 3 - gids: ? 1). Info: 02 221 22 06 en www.nbb.be