Op woensdag 16 oktober verkondigen grote affiches in de uitstalramen van een aantal Harderwijkse winkels dat het vrede is, dat Duitsland zich overgegeven heeft en de Duitse keizer al richting Nederland gevlucht is. In het interneringskamp wordt dat goede nieuws duchtig gevierd in de kantine, die voor de gelegenheid langer open blijft. De kater de volgende dag ligt niet (alleen) aan de drank, maar aan wat de kranten melden: het bericht was een losse flodder, de oorlog is nog niet afgelopen. De successen van het geallieerde leger, dat de Duitsers terugdrijft, zorgen ervoor dat de Belgen in Nederland ongeduldig worden: ze willen naar huis. Er zijn er die alvast de grens oversteken, wat de Belgische regering ertoe aanzet om de landgenoten in Nederland te vragen om ter plaatse te blijven tot er een gestructureerde terugkeer georganiseerd kan worden. De situatie in België is nog erg chaotisch en gevaarlijk.
Op 11 november 1918 wordt uiteindelijk de wapenstilstand getekend en is de Eerste Wereldoorlog voorbij. In de Nederlandse kranten vind ik niets over vreugdetaferelen in het kamp van Harderwijk. Misschien waren die er ook niet, de kampbewoners hadden wat anders aan hun hoofd, met de Spaanse griep die begin november snoeihard toeslaat in Harderwijk en de autoriteiten ertoe dwingt om alle lagere scholen te sluiten. De Nederlandse kranten hebben overigens geen moeite om hun kolommen te vullen. Ze verhalen over de Duitse keizer die plots aan de grens met Nederland staat, er onderdak wil en krijgt. Over de Belgische poging om Zeeuws-Vlaanderen in te pikken. Over de beschuldigingen van België en andere geallieerde landen dat de Nederlanders zich tijdens de oorlog wel erg pro-Duits heeft opgesteld. Dat Nederland een paar duizend Duitse soldaten over zijn grondgebied laat terugkeren - en hen niet ijverig en snel te ontwapenen en te interneren, zoals de Belgische soldaten in 1914 - zet hun argumenten kracht bij.

Trage terugkeer

De verstandhouding tussen Belgische en Nederlandse autoriteiten laat in die dagen duidelijk te wensen over: is het daarom dat de organisatie van de terugkeer eerder langzaam op gang komt? Op 23 november meldt het Overveluwsch dagblad: "Aangaande het vertrek van de Belgische geïnterneerden is nog niets definitief bepaald", enkele dagen later kondigt De Harderwijker aan dat de aftocht baraksgewijze en in de volgorde der divisies zal plaatsvinden, vanuit het station van Harderwijk. Elke trein zou zo'n 800 à 1000 man vervoeren, 16 Nederlandse soldaten zullen het begeleiden tot aan de grens. Op 7 december vertrekt mijn overgrootvader naar België. Op 10 december tussen 10 en 11 uur moet mijn overgrootmoeder paspoorten voor zichzelf en de meisjes aanvragen voor de terugkeer, zo blijkt uit een rondschrijven van burgemeester Kempers van Harderwijk. Op 13 december 1918 vertrekt de laatste trein met Belgische soldaten richting vaderland. Vermoedelijk volgden Louise en de kinderen op 16 december, in De Harderwijker staat immers vermeld dat dan om half acht een extra trein met de gezinnen uit de provincies Antwerpen, Henegouwen, Luxemburg en Limburg vertrekt. In een andere krant vind ik een lijst met wat de terugkerende Belgen mee over de grens mogen nemen (van Schengen was nog heeeeel lang geen sprake!): per lid van het gezin: 1/2 kilo suiker, 1 kilo peulvruchten, 1/10 kilo koffie, 8 kg aardappelen, 2/10 kilo jam, 6 flessen wijn of likeur, 1/2 kg gecondenseerde melk, 1 stuk zeep, 1/2kilo boter, 2/10 kilo kaas, 2/10 kilo chocolade, 1/10 kilo specerijen, 25 kilo steenkool, per man 1/2 kilo tabak of sigaren, per gezin 2 doosjes schoensmeer en 1 kilo vogelvoer.
In Harderwijk ziet men de Belgen met lede ogen vertrekken: ze deden de kassa's rinkelen en zorgden voor kleur in het stille vissersstadje. In het laatste nummer van de kampkrant Inter-nos verschijnt een geestig gedicht van een afscheidnemende militair, dat overgenomen wordt in een plaatselijke krant.

MIJN AFSCHEID
Een vervelend verhaal
Over 't geen men in negentien
In 't dooie Harderwijk zal zien.

Zes ure slaat de Staddhuisklok
Een visschersbonk komt uit zijn hok,
Kijkt links en rechts het steegje rond
En geeuwt en spugt dan op den grond.

Om zeven uur schrikt d'halve stad
Uit haren diepen slaap doordat
Twee boeren, met hun klompen aan,
Met zwaren tred langs 't Kerkplein gaan.

Ten achten wordt het druk op straat:
Drie burgers in den Donkerstraat,
Een bakkerskar, een melkboerin,
Den groentenboer, een schipperin.

Om negen ure loopt een hond
Verhongerend en snuffelend rond
De stinkende vischmeelfabriek
En vreet zich aan garnalen ziek.

Ten tienen stapt een Compagnie
Van 't negende Infanterie,
Met slaande trom, vliegende vaan,
Langsheen d'Oranje-Nassaulaan.

Ter elfder uur ziet men geen muis,
Daar ieder Harderwijker thuis
Nu voor zijn kopje koffie zit
Den eengen troost dien hij bezit.

Om twaalf uur gaan honderd man
Langs brink en steeg en straten van
De stad: 't zijn ambachtslui die gauw
wat eten halen bij hun vrouw.

Om één uur, ziet men 't zelfde weer
Van 't achtste uur - mijn woord van eer -
Behalve dat de melkboerin
Vervangen is door haar vriendin.

Ten tweeden zitten in 't Hotel
Twee reizigers die praten fel
Over den tijd dat Harderwijk,
Den Belgen dank, geld won als slijk.

Drie uur - Ginds gaat een droeve meid
Die aan haar hand een kindje leidt
Hu, huilt het Jongske, hu hu hu,
Zeg, moeke, waar is vader nu?

Het slaat nu vier: 'n fiets! 'n fiets!
Hé! denk er om!! - God, nog 'n fiets!!
Ring, ring!!! Rechts houden! nog 'n fiets!
Hé, hé, nu toch gebeurt er iets.

Van vijf tot zes loopt menig paar
Een "zeetje" rond, met stijf gedbaar.
De Borrelclub uit d'Harmonie
Drinkt dan z'n bittertje of drie.

't Is zeven uur - Geheel alleen
Loopt daar een Juf in diep geween.
Zij staart op een verlovingsring
Droefstemmende herinnering.

Acht ure - Achter elk gordijn
Een theelicht werpt zijn vagen schijn
't Is 't uurtje van gezelligheid,
Maar ook van kletspraat, haat en nijd.

Als eindelijk 't klokje negen slaat
Ziet men geen sterveling meer op straat.
Dat is wat men in negentien
In 't dooie Harderwijk zal zien.
In haaste.
Ward de Kletskous

Stonden Céline en Blondine te popelen om terug naar huis te gaan of hadden ze het moeilijk om iedereen die ze in Nederland hadden leren kennen, achter te laten? Misschien zegt het iets dat mijn grootmoeder zoveel kaartjes uit die tijd bewaard heeft. Onder meer een kaartje van Frederik Neetens (36 in 1918, er net als mijn overgrootvader in 1901 'ingeloot') en Philomena De Kock (35), die laten weten dat ze goed thuisgekomen zijn. "Thuis', dat is in Aalst, maar uit een briefje dat ze (vermoedelijk een jaar) later sturen, blijkt dat ze toen zonder woonst zaten. De de Gheestraat in Aalst ligt vlakbij de Zeebergbrug, vermoedelijk zal daar hevig gevochten zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Uit die brief blijkt ook dat het dan al een pak beter gaat met de familie Neetens. Zoon Edmond heeft werk bij een schrijnwerkerij (uit wat zoekwerk op internet blijkt dat hij later een bekende figuur wordt in Aalsterse fanfaremiddens) en de moeder van Philiomena stelt het blijkbaar ook wel: "ze wordt zo vet als een koei"...
Dat de twee koppels veel steun hebben gehad in niet zo makkelijke omstandigheden in Nederland wordt duidelijk in de laatste regels: "En wij denken dat gij ons in het kort nog eens zult komen bezoeken om over onzen droeven tijd nog eens te klappen".
Tussen de papieren van peter zitten er veel van de Oudstrijders en dat is een goed teken. Uit verhalen op internet blijkt dat in sommige gemeenten geïnterneerden blijkbaar niet welkom waren bij bijeenkomsten van oud-strijders, herdenkingsplechtigheden en dies meer. Dat was zo te zien geen probleem in Willebroek.