In de ochtend, voor de toeristen toestromen, laat de Grote Markt zich van zijn ware kant zien. De vertrouwde stamgasten drinken hun koffie en warmen hun handen bij het knetterende haardvuur van Den Cruywagen, één van de oudste cafés van het plein, ooit het gildehuis van de vetsmelters. En het enige café dat vanaf 7 uur open is. De tijd lijkt er stil te staan. Wanneer de oude plankenvloer onder je voeten kraakt, waan je je in de tijd van Bruegel en de zwans die daarbij hoort. Maar eigenlijk stamt de inrichting van het café uit de jaren 40. Is dit etablissement dan toch niet zo authentiek? De meeste interieurs op de Grote Markt werden in de 19de en 20ste eeuw grondig gerestaureerd of helemaal vernieuwd, zo blijkt.
...

In de ochtend, voor de toeristen toestromen, laat de Grote Markt zich van zijn ware kant zien. De vertrouwde stamgasten drinken hun koffie en warmen hun handen bij het knetterende haardvuur van Den Cruywagen, één van de oudste cafés van het plein, ooit het gildehuis van de vetsmelters. En het enige café dat vanaf 7 uur open is. De tijd lijkt er stil te staan. Wanneer de oude plankenvloer onder je voeten kraakt, waan je je in de tijd van Bruegel en de zwans die daarbij hoort. Maar eigenlijk stamt de inrichting van het café uit de jaren 40. Is dit etablissement dan toch niet zo authentiek? De meeste interieurs op de Grote Markt werden in de 19de en 20ste eeuw grondig gerestaureerd of helemaal vernieuwd, zo blijkt. Tussen de gouden tijd, toen de welvaart van de Brusselse gilden kon worden afgelezen van de gevels, en vandaag, is er veel water door de Zenne gevloeid. "In het Franse periode (1792-1814) werden verschillende gildehuizen op de Grote Markt openbaar verkocht, net als de bezittingen van de kerk", vertelt Joël Decerf van gidsenvereniging Arkadia. "Geen slimme vastgoedoperatie, want het grote aanbod drukte danig de prijs dat de Grote Markt in de 19de eeuw een volkse plek met verloederde panden werd. Onder meer Victor Hugo woonde er als balling voor geen geld. En Karl Marx vergaderde er met de Duitse vakbonden. Proletariërs, aller landen... Pas in de belle époque kregen de gevels een grondige restauratie, maar niet de interieurs. Die werden niet zelden omgebouwd voor hun nieuwe functie: hotel, pralineswinkel, restaurant, bank... Die verbouwwoede heeft tot vrij recent geduurd: de weinige sporen van de authentieke interieurs werden pas in 2002 geklasseerd. Sommige panden wisten hun oorspronkelijke cachet te bewaren, zoals Den Gulden Boom, het vroegere huis van de brouwersgilde, dat sinds 1951 wordt gebruikt door de Federatie van Belgische Brouwers. De raadzaal is versierd met fraai houtwerk, een indrukwekkende verzameling tapkranen en schenkgerei. In de kelder wacht een klein museum gewijd aan de edele brouwkunst. Het bezoek is een beleving, maar liefst op een kalm moment, even voor de middag. Het ticket geeft recht op een vers getapt biertje in het sfeervol kelderbarretje. Na deze opwarmer trekken we naar de twee grootste gebouwen van het plein: het Stadhuis en Het Broodhuis. Het 15de-eeuwse stadhuis is het oudste gebouw van het plein, en werd in 19de eeuw grondig gerestaureerd. Historisch gezien kan je je wel wat vragen stellen bij deze restauratie. Zo werden de meeste beelden die vandaag aan de gevel prijken, pas dan toegevoegd. Joël Decerf: "België was in de 19de eeuw een van de rijkste landen ter wereld en wilde zichzelf een roemrijk verleden aanmeten, dat in het Stadhuis dik in de verf werd gezet, zowel binnen als buiten." Zo komt het dat aan de gotische zaal, de voornaamste ontvangstzaal, niets gotisch is. De middeleeuwen zijn hier volledig verzonnen en ingekleurd met Brusselse stadshelden. Die gotische zaal betreed je via een statige trap die de gemeentelijke macht verheerlijkt en versierd is met de borstbeelden van alle burgemeesters die de stad sinds 1830 hebben bestuurd. Aan een andere kant van het plein ligt Het Broodhuis. Ook hier mag je je vooral niet laten misleiden door de flamboyante gotiek. Het hele bouwwerk werd pas in de 19de eeuw opgetrokken op de ruïnes van de vroegere broodhallen. Die waren niet meer te restaureren, maar Brusselaars (en vele anderen) noemen het pand nog altijd Het Broodhuis. Aarzel niet om ook hier binnen te gaan. In het gebouw is het Museum van de Stad Brussel ondergebracht. Meer dan 7.000 stukken - schilderijen, wandtapijten en allerlei objecten - vertellen de geschiedenis van de hoofdstad. Hier sta je oog in oog met het echte Manneken Pis en vooral met het beeld van Sint-Michiel, dat tot 1993 op de klokkentoren van het stadhuis prijkte. Deze zes meter hoge en 400 kilo zware windhaan is een waar 15de-eeuws meesterwerk. Toch zijn ze er destijds in geslaagd dit gevaarte 100 m hoog te tillen. "Als je weet hoeveel moeite het heeft gekost om het naar beneden te halen, kan je nauwelijks vatten hoe het beeld ooit op de toren is geraakt met de middelen van toen", zegt Bérengère de Laveleye, conservator van het stadsmuseum. "Als je van dichtbij kijkt, lijken de trekken van Sint-Michiel nogal grof. Dat was zo bedoeld: hij moest kracht uitstralen vanop grote afstand!" Wanneer we het museum buitenwandelen is het al een eind in de namiddag. We hebben nog een afspraak met Yvan. Zijn familie bezit al verscheidene generaties Den Sack, dat nu opgedeeld is in appartementen. "We hebben hier negen jaar gewoond. En dat was best prettig. Het kan vreemd klinken, maar het is hier stiller dan elders in de stad". Vanuit de ramen heb je vanzelfsprekend een geweldig uitzicht. En zelfs dat is beschermd door de Unesco. Want in de omgeving van de Grote Markt is het verboden een pand te bouwen waarvan het dak te zien kan zijn vanaf het plein.