Net zoals vorig jaar gaat de Studiecommissie voor de Vergrijzing ervan uit dat de sociale uitgaven een piek kennen in 2040. De uitgaven evolueren van 25,2% van het bbp in 2018 naar 27,6% in 2070. Dat komt neer op een toename met 2,4 procentpunt van het bbp, wat neerkomt op 11 miljard euro (huidige waarde).

De budgettaire kost van de vergrijzing stijgt tot 2040 met 3,8 procentpunt van het bbp om tussen 2040 en 2070 met 1,4 procentpunt te dalen, wat neerkomt op een globaal cijfer van 2,4 procentpunt. De piek tot 2040 is het gevolg van de snellere toename van de oudere bevolkingen ten opzichte van de bevolking op arbeidsleeftijd (18-66j). Nadien neemt die verhouding minder toe en stijgen de sociale uitkeringen minder snel dan lonen en bbp.

Niet alle sociale uitgaven nemen toe: terwijl de pensioen en gezondheidszorguitgaven samen met 3,9 procentpunt stijgen tussen 2018 en 2070, dalen de overige sociale uitgaven, vooral de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag, met 1,5 procentpunt.

Armoederisico daalt

Uit het verslag blijkt ook dat het armoederisico van de gepensioneerden daalt. In 2017 lag het armoederisico van de gepensioneerden met 14,3 procent lager dan dat van de totale bevolking (16,4%). In 2005 bedroeg het armoederisico van gepensioneerden nog 20 procent.

Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing daalt het armoederisico voor gepensioneerden tot 2070. Door de herwaardering van de minimumuitkeringen voor ouderen stijgen de bedragen van die uitkeringen tot midden 2030 sneller dan de armoededrempel.

Daarnaast zijn binnen de huidige en toekomstige generaties van vrouwen die de pensioenleeftijd bereiken, de vrouwen die recht hebben op een eigen pensioen talrijker dan binnen de oudere generaties. De stijgende arbeidsmarktparticipatie vertaalt zich ook in langere loopbanen en hogere pensioenen.

Voor ontslagnemend minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine bevestigt het verslag van de commissie "de positieve effecten van de pensioenhervorming die wij de laatste vijf jaar doorgevoerd hebben, zowel op de budgettaire houdbaarheid van ons pensioensysteem als op de vermindering van het armoederisico bij gepensioneerden en de ongelijkheden tussen gepensioneerden".

De minister wijst erop dat het minimumpensioen voor een volledige loopbaan vorige legislatuur met 143 euro per maand verhoogd werd voor de werknemers en met 205 euro per maand voor zelfstandigen.