Maar, nuanceerde Philip Neyt als voorzitter van de Belgische Verenigingen van Pensioeninstellingen (BVPI), "de fondsen zitten nu pas op het niveau van voor de financiële crisis". De hoge rendementen van de jaren '80 en '90 lijken definitief voorbij. "We evolueren opnieuw naar een meer normale tendens".

Het rendement voor 2012 werd berekend op basis van een rondvraag in de sector. Het gaat dan ook nog maar om een deeltijds resultaat. Geen enkele van de bevraagde pensioenfondsen kende vorig jaar een negatief rendement. De rendementen lagen ook relatief dicht bij elkaar. "Het zou mij zeer verwonderen dat een pensioenfonds in 2012 een negatief rendement haalde, want alle onderliggende activa presteerden goed", verklaarde Neyt. "Terwijl aandelen en vastgoed in 2011 nog een negatief rendement kenden, was dat in 2012 positief. Obligaties deden het vorig jaar zelfs nog iets beter dan het jaar voordien".

Cruciaal voor de BVPI-voorzitter is echter het langetermijnrendement, dat de pensioenfondsen in staat moet stellen om de koopkracht te blijven garanderen. De voorbije 20 jaar lag het reële rendement op gemiddeld 4 procent per jaar.

Pensioenfondsen beleggen vooral in obligaties (49 pct), aandelen (37 pct) en in vastgoed (5 pct). In 2012 investeerden de Belgische spelers voor het eerst meer in bedrijfsobligaties dan in overheidsobligaties. Die laatste categorie wordt door de eurocrisis niet langer

beschouwd als een absoluut veilige belegging. Bovendien zijn ze erg volatiel, en dus moeilijker te beheren.

Neyt was fier mee te delen dat 70 procent van de activa van pensioenfondsen naar de reële economie terugstroomt. Maar tegelijk waarschuwde hij maandag voor het toenemend risico op de obligatieportefeuille. Hij verwacht dat de inflatie opnieuw zal toenemen, "waardoor de meerwaarden zouden wegsmelten als sneeuw voor de zon". De voorbije jaren konden de pensioenfondsen nog buffers opbouwen dankzij hun obligatie-investeringen, maar nu moet men volgens de BVPI-voorzitter waakzaam zijn voor de risico's. Neyt wees op mogelijke alternatieven, zoals de financiering van infrastructuurprojecten of overheidsleningen die gekoppeld zijn aan de inflatie. Dat laatste is volgens hem zowel goed voor de pensioenfondsen, die hun risico op lange termijn zien dalen, als voor de Belgische staat, die hiermee miljarden aan cash kan activeren én tegelijk de tweede pensioenpijler kan promoten.

De Belgische pensioenfondsen beheren samen meer dan 18 miljard euro aan activa. Steeds meer sectoren (34) geven aan hun personeel een pensioenplan tweede pijler. "Sinds de wet-Vandenbroucke tien jaar geleden werd goedgekeurd, is de sector gedemocratiseerd", luidde het maandag. Almaar meer arbeiders nemen deel aan de tweede pijler, maar vaak gaat het om relatief kleine bedragen. Neyt meent dat de sector een rol kan spelen in het activeringsbeleid, bijvoorbeeld door het opbouwen van extra rechten als men langer werkt.

Maar, nuanceerde Philip Neyt als voorzitter van de Belgische Verenigingen van Pensioeninstellingen (BVPI), "de fondsen zitten nu pas op het niveau van voor de financiële crisis". De hoge rendementen van de jaren '80 en '90 lijken definitief voorbij. "We evolueren opnieuw naar een meer normale tendens". Het rendement voor 2012 werd berekend op basis van een rondvraag in de sector. Het gaat dan ook nog maar om een deeltijds resultaat. Geen enkele van de bevraagde pensioenfondsen kende vorig jaar een negatief rendement. De rendementen lagen ook relatief dicht bij elkaar. "Het zou mij zeer verwonderen dat een pensioenfonds in 2012 een negatief rendement haalde, want alle onderliggende activa presteerden goed", verklaarde Neyt. "Terwijl aandelen en vastgoed in 2011 nog een negatief rendement kenden, was dat in 2012 positief. Obligaties deden het vorig jaar zelfs nog iets beter dan het jaar voordien". Cruciaal voor de BVPI-voorzitter is echter het langetermijnrendement, dat de pensioenfondsen in staat moet stellen om de koopkracht te blijven garanderen. De voorbije 20 jaar lag het reële rendement op gemiddeld 4 procent per jaar. Pensioenfondsen beleggen vooral in obligaties (49 pct), aandelen (37 pct) en in vastgoed (5 pct). In 2012 investeerden de Belgische spelers voor het eerst meer in bedrijfsobligaties dan in overheidsobligaties. Die laatste categorie wordt door de eurocrisis niet langerbeschouwd als een absoluut veilige belegging. Bovendien zijn ze erg volatiel, en dus moeilijker te beheren. Neyt was fier mee te delen dat 70 procent van de activa van pensioenfondsen naar de reële economie terugstroomt. Maar tegelijk waarschuwde hij maandag voor het toenemend risico op de obligatieportefeuille. Hij verwacht dat de inflatie opnieuw zal toenemen, "waardoor de meerwaarden zouden wegsmelten als sneeuw voor de zon". De voorbije jaren konden de pensioenfondsen nog buffers opbouwen dankzij hun obligatie-investeringen, maar nu moet men volgens de BVPI-voorzitter waakzaam zijn voor de risico's. Neyt wees op mogelijke alternatieven, zoals de financiering van infrastructuurprojecten of overheidsleningen die gekoppeld zijn aan de inflatie. Dat laatste is volgens hem zowel goed voor de pensioenfondsen, die hun risico op lange termijn zien dalen, als voor de Belgische staat, die hiermee miljarden aan cash kan activeren én tegelijk de tweede pensioenpijler kan promoten. De Belgische pensioenfondsen beheren samen meer dan 18 miljard euro aan activa. Steeds meer sectoren (34) geven aan hun personeel een pensioenplan tweede pijler. "Sinds de wet-Vandenbroucke tien jaar geleden werd goedgekeurd, is de sector gedemocratiseerd", luidde het maandag. Almaar meer arbeiders nemen deel aan de tweede pijler, maar vaak gaat het om relatief kleine bedragen. Neyt meent dat de sector een rol kan spelen in het activeringsbeleid, bijvoorbeeld door het opbouwen van extra rechten als men langer werkt.