De IGO werd in 2001 ingevoerd voor gepensioneerden die niet over voldoende middelen beschikken. Vandaag hebben ruim 101.000 gepensioneerden recht op een IGO-uitkering van gemiddeld 358 euro per maand.

De hervorming voorziet in een strengere controle van het verblijf in België. Vandaag gebeurt dat door een brief naar het domicilie van de betrokkene te sturen met de vraag om deze binnen de dertig dagen terug te sturen. Vanaf volgend jaar komt er een steekproefgewijze controle waarbij de IGO-gerechtigde zich persoonlijk moet aanbieden bij het gemeentehuis. Indien dat niet binnen de 29 dagen gebeurt, wordt de uitkering geschorst.

Bij de berekening van de IGO worden vanaf 2014 nog enkel de eigen kinderen, adoptiekinderen of geplaatste kinderen meegenomen in de deler van de bestaansminima. Nu zijn dat alle personenen die recht hebben op kinderbijslag en bij de gerechtigde inwonen. Daarnaast wordt de vermogenstoets afgeschaft voor de personen met wie de gerechtigde samenwoont, maar niet gehuwd is of wettelijk samenwoont.

Een IGO-gerechtigde die opgenomen wordt in een rust- of ziekenhuis, maar zijn thuisadres behoudt, geniet van dezelfde berekeningswijze als voor de opname. Door de opname verhoogt de IGO-uitkering, maar vandaag krijgt de rechthebbende in de praktijk vaak minder omdat hij of zij niet langer als samenwonende, maar als alleenstaande wordt beschouwd.

Tenslotte mag een IGO-rechthebbende per jaar 5.000 euro bijverdienen zonder dat dit invloed heeft op de hoogte van zijn IGO-uitkering.