Auteursrechten ontstaan door de creatie van een origineel werk. Er moeten geen administratieve formaliteiten voor voldaan worden. De Wet op de auteursrechten maakt een onderscheid tussen morele rechten en vermogensrechten. De morele rechten geven de auteur het recht zijn werk bekend te maken, het 'vaderschap' ervan op te eisen (de auteur kiest zelf of hij anoniem wil blijven of niet) en er de gepaste eerbied voor te vragen. De vermogensrechten geven de auteur het exclusieve recht om het te reproduceren of om de reproductie toe te staan. Wie een beschermd werk wil exploiteren, moet voorafgaandelijk toestemming vragen aan de auteur of zijn rechthebbenden (moest hij/zij al overleden zijn). Vermogensrechten kunnen worden overgedragen (de auteur kan ze afstaan aan de uitgever), morele rechten niet.

Voor sommige exploitatievormen vervangt de wet het exclusieve auteursrecht door het recht op een vergoeding als tegenprestatie voor de exploitatie van de werken. De exploitant (of uitgever) moet dan geen voorafgaande toestemming vragen. Dit gebeurt vaak als de auteur een beroep doet op een uitgever, zoals ook uw echtgenoot gedaan heeft.

Ook deze overeenkomsten vallen onder de auteurswet. De uitgever verbindt zich ertoe - tenzij anders overeengekomen - een vergoeding te betalen, in verhouding tot de bruto-ontvangsten. Er is een extra bescherming ingebouwd: als de auteur zijn rechten op zodanige manier heeft overgedragen aan de uitgever dat de vergoeding, gelet op het succes, niet meer evenredig is met de winst van de uitgever, dan moet de vergoeding aangepast worden. De auteur moet er wel zelf om vragen. Wanneer de vergoeding wordt uitbetaald hangt af van het contract.

De bescherming van de wet loopt tot 70 jaar na het overlijden van de auteur.