Bij de gewone wettelijke verdeling tussen bloedverwanten, spelen 3 criteria: de orde, de graad van verwantschap en de lijn (rechte lijn of zijlijn).

De orde is een indeling die is gebaseerd op de aard van de bloedverwantschap. Ons erfrecht telt vier ordes:

  • de afstammelingen (kinderen, kleinkinderen, enz.)
  • de ouders samen met de broers en/of zussen en hun afstammelingen
  • de ouders als de overledene geen broers en/of zussen had
  • de zijverwanten, andere dan broers en zussen en hun afstammelingen (dus ooms, tantes,...).

Om te weten wie erft, wordt er eerst gekeken naar de orde. Zijn er erfgenamen in de eerste orde, dan zal niemand uit de tweede orde erven, enz. Binnen de orde speelt de graad van verwantschap, geteld ten opzichte van de gemeenschappelijke stamouder. Een tante en een neef bijvoorbeeld zijn verwanten in de derde graad.

Bij het verwerpen van een nalatenschap is het inderdaad zo dat erfgenamen uit de tweede orde niet kunnen verwerpen als deze uit de eerste orde nog niet allemaal verworpen hebben. De betrokken persoon had geen kinderen, dus geen erfgenamen in de eerste orde. Hij laat enkel erfgenamen in de tweede orde na. De kinderen van de overleden broer D kunnen dus verwerpen, vermits zij tot dezelfde orde behoren als de broer A en B.

De erfgerechtigde die een nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam te zijn geweest. Weet wel dat verwerpende erfgerechtigden eventueel de begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte moeten betalen als de nalatenschap uit meer schulden dan tegoeden bestaat.