Het was al jaren geleden dat ik in Zürich was, en dan nog op doortocht. Het eerste wat me opvalt, is het uitstekende openbare vervoer. Treinen, boten en trams brengen je overal naartoe, een auto is hier overbodig. Bovendien zijn de treinen stipt op tijd. Daar kunnen we in België een puntje aan zuigen. Ik zou hier ooit wel eens een tijdje willen wonen. Langs de Limmat-rivier in het oude stadsgedeelte bijvoorbeeld.
...

Het was al jaren geleden dat ik in Zürich was, en dan nog op doortocht. Het eerste wat me opvalt, is het uitstekende openbare vervoer. Treinen, boten en trams brengen je overal naartoe, een auto is hier overbodig. Bovendien zijn de treinen stipt op tijd. Daar kunnen we in België een puntje aan zuigen. Ik zou hier ooit wel eens een tijdje willen wonen. Langs de Limmat-rivier in het oude stadsgedeelte bijvoorbeeld. Dat voornemen wordt alleen maar sterker als ik langs de boorden van de Zürich See naar Küssnacht spoor, langsheen dorpjes en blauwe watermassa's, met bergtoppen in de verte. Zo'n landschap waarvan je dieper gaat ademen. Psycholoog Carl Gustav Jung zou me vast begrijpen. De beroemde psycholoog uit Küssnacht had zelfs twee woonsten aan de rand van het meer. Hij was de laatste jaren van zijn leven zo populair, dat hij geamuseerd opmerkte dat hij een toeristische attractie was geworden. In de jaren '50 wilden Zwitserland-reizigers de Matterhorn en de Jungfrau zien, én liefst ook de beroemde wijze aan het meer van Zürich. Hij stierf in 1961, maar zijn geestelijke erfenis is levend en wel. Er moet hier trouwens iets geestesverruimend in het leidingwater zitten, want het telefoonboek van Zürich telt maar liefst 14 bladzijden met psychotherapeuten en aanverwanten. C.G. Jung gaf mee vorm aan de psychologie van de 20ste eeuw door zijn werk over dromen en symbolen. Ik mag op bezoek in Jungs huis in Küssnacht, waar nu kleinzoon Andreas woont. Vanuit zijn werkkamer op de eerste verdieping had C.G. Jung zicht op het meer. "Hij moest aan het water wonen", zegt Andreas. "Ik denk dat het water voor hem het onbewuste symboliseerde en het land het bewuste, hij heeft altijd op die grens geleefd". Jung was een enthousiast zwemmer en zeiler, ging bergbeklimmen en maakte trektochten. Als het even kon, zeilde hij van hieruit naar zijn 'buitenverblijf', een toren aan de andere kant van het meer. Die tocht duurde vijf uur bij goed weer en dubbel zo lang als er veel wind stond. Als ik de boot terug naar Zürich neem, is het watervlak rimpelloos en doen we er amper een uurtje over. Ik wandel door het historische centrum van de oude stad, langs de Fraumünster Kirche, via de Münsterbrücke en het Rathaus naar de Limmatquai. Het licht van de straatlampen wordt weerspiegeld in de rivier die de stad in twee snijdt. De rimpelende reflectie op het water doet me denken aan wat Jung schreef over zijn eerste bezoek aan de Boden See als kleine jongen: "De golven van de stoomboot spoelden naar de oever, de zon glinsterde op het water en het zand onder het water was door de golven tot smalle ribbels gevormd (...). Toen kwam de gedachte in mij op dat ik ooit aan een meer moest wonen. Men kon zonder water zelfs niet leven", dacht ik. We treinen naar Einsiedeln, vooral bekend voor zijn Benedictijnerabdij. Wij komen echter om te leren langlaufen bij Walter Schuler, een vroegere kampioen, zongebrand, halflang haar, een rood jasje dat mooi afsteekt tegen al dat sneeuwwit. We krijgen schoenen en skilatten aangemeten en trekken naar een besneeuwde vlakte met uitzicht op een bevroren meer dat door verre bergen wordt afgelijnd. Verlaten boerderijen, enkele berkenbosjes en veel ruimte, toegedekt met een deken van sneeuw. Een mals landschap. Er liggen uitgesleten langlaufsporen voor de beginners. Voor ons dus. Geklungel, gedoe, een skilat blijft steken terwijl de andere wil verder glijden, zodat ik in een spreidstand beland waaruit ik moet worden bevrijd. Uiteindelijk lukt het me toch, maar ik weet wel zeker dat ik nooit de perfectie van onze leraar zal benaderen: langlaufen is voor hem even natuurlijk als lopen. De uitbater van de kabelbaan van Atzmännig heeft twee tegenstanders in het dorp. Hoogbejaarde broers van bijna 90 die een wat vervallen huis vlak boven zijn heuvel bewonen. De broers zijn hier geboren en al die mensen die de skilift naar boven nemen en hier rondsjezen vinden ze maar niks. Waarschijnlijk hebben ze als jongeman zelf door de bossen gedwaald op ski's of sneeuwschoenen, toen deze kleine wereld van beboste heuvels hen nog leek toe te behoren. Het hele gebied heeft iets nostalgisch, geen blits skigebied maar een plek waar alles nog langzaam gaat en we ons soms alleen in de bossen wanen. De sneeuw die kraakt onder de voeten, af en toe een vogel die roept. Vanuit Chur neem ik het bergtreintje naar Arosa, een wintersportgebied in het hooggebergte. 's Avonds zie ik vanop het terras van het Tschuggen Grand Hotel een knalgele zeppelin stil langs de bergpieken zweven. Achter het hotel lichten de kapelvormige lichtschachten van de Tschuggen Spa op die enkele jaren geleden letterlijk uit de bergwand werd gehakt. Een vermetel plan van sterarchitect Mario Botta. Binnenin lijkt het samenspel van water, gebogen granieten wanden en glas heel natuurlijk. Het kan zich meten met het indrukwekkende berglandschap rondom. Dat brengt me terug bij Jung: hij zag de Alpen voor het eerst bewust toen hij vier was. Achter de pastorie van zijn vader kleurde de bergketen vuurrood in het late licht van de zonsondergang. Het maakte een onuitwisbare indruk. Tekst: Greet van Thienen