Steeds meer mensen hebben lichamelijke klachten zonder dat er een duidelijke ziekte kan worden gevonden. Chronische pijn en vermoeidheid zijn daar typische voorbeelden van. Vaak stuiten deze klachten op onbegrip vanwege de omgeving. En ook de klassieke geneeskunde weet er niet altijd raad mee. Professor Boudewijn Van Houdenhove, psychiater in het universitair ziekenhuis Gasthuisberg, buigt zich al jaren over deze problematiek.
...

Steeds meer mensen hebben lichamelijke klachten zonder dat er een duidelijke ziekte kan worden gevonden. Chronische pijn en vermoeidheid zijn daar typische voorbeelden van. Vaak stuiten deze klachten op onbegrip vanwege de omgeving. En ook de klassieke geneeskunde weet er niet altijd raad mee. Professor Boudewijn Van Houdenhove, psychiater in het universitair ziekenhuis Gasthuisberg, buigt zich al jaren over deze problematiek. Prof. Van Houdenhove: Een belangrijke reden is het hardnekkige dualistische denken van velen. Een ziekte is ofwel somatisch (dit betekent dat er een lichamelijke oorzaak kan aangetoond worden) ofwel psychisch. Vaak beschouwt een arts zijn taak als volbracht wanneer hij de lichamelijke ziekten als verklaring voor de klachten heeft uitgesloten. Maar patiënten nemen geen genoegen met een schouderklopje. Een oplossing kan enkel gevonden worden als men de patiënt gaat bekijken vanuit een bredere visie, waarin de hele mens centraal staat. De psychosomatiek slaat de brug tussen lichaam en geest. Maar een ander gegeven is dat mensen het soms erg moeilijk hebben om hun emotionele problemen onder ogen te zien. Door schaamte zijn ze vaak geneigd om de nadruk te blijven leggen op de lichamelijke kant van hun klachten. Aan de psychische aspecten kleeft vaak een soort stigma: De mensen zullen denken dat ik het mij allemaal inbeeld. In de brede zin hebben alle klachten naast een lichamelijke component ook een psychisch aspect. Neem een beenbreuk. Dat is duidelijk lichamelijk, maar voor een sportman kan ze de oorzaak worden van een depressie en dat is psychisch. In de engere betekenis gaat het om onverklaarde klachten - vaak spierpijn, rugpijn, buikpijn,...- en vermoeidheid waarvoor geen duidelijke lichamelijke oorzaak wordt gevonden. Ook het hele domein van de onverklaarde klachten of syndromen zoals fibromyalgie, chronisch vermoeidheidssyndroom, prikkelbare darmen,... maakt deel uit van de psychosomatiek in de engere zin. Een hartinfarct behoort niet tot de psychosomatiek in de enge zin. Er is een duidelijk lichamelijk mechanisme: een bloedklonter in een slagader. Maar men weet dat bepaalde psychische factoren een bijdrage kunnen leveren tot het ontstaan van een hartinfarct. Mensen met een bepaald persoonlijkheidstype - erg gejaagd, zeer vijandig ingesteld tegenover hun medemensen,... - zijn, in combinatie met lichamelijke factoren, vatbaarder voor een hartinfarct. In de bredere zin zit daar dus ook een psychosomatische component aan vast. Er bestaan in zo goed als alle vormen van ziek zijn interacties tussen lichamelijke en psychische factoren. Daarom spreekt men tegenwoordig van het biopsychosociaal model. Alle lichamelijke klachten moeten bekeken worden in lichamelijke dimensies, maar ook in psychologische én sociale. Die houden niet altijd verband met de oorzaak van het medische probleem, ze kunnen er ook een gevolg van zijn. Iemand met een chronische ziekte kan als gevolg daarvan depressief worden of allerlei sociale problemen krijgen, die hem dan weer extra onder stress zetten waardoor zijn ziekte misschien opnieuw erger wordt. Stress is hét sleutelconcept bij psychosomatische klachten. Wij hebben in ons organisme een systeem, het stress- systeem, dat alle vormen van druk en belasting moet opvangen en trachten te verwerken. Dit kan gaan om fysieke druk, slaaptekort, zware inspanningen, het herstel na een ziekte of een operatie, maar ook emotionele stress, zorgen, pesterijen op school of op het werk, problemen met opgroeiende kinderen, met de partner... Het stresssysteem is bedoeld om ondanks deze belastende factoren toch in evenwicht te blijven. Zolang de belasting tijdelijk is, is er geen probleem. Stress kan ons soms zelfs een beetje aanscherpen, dan ben je extra alert en dat werkt stimulerend. Maar wanneer dit systeem niet meer tot rust komt en de stress chronisch wordt, raakt de balans verstoord en worden onder meer de stresshormonen ontregeld (zie kader Cortisol). Die hormonen spelen een belangrijke rol in het stresssysteem zelf, maar ook in het immuunsysteem en op het vlak van de neurotransmitters (stoffen die zorgen voor de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen) in de hersenen. Wanneer de neurotransmitters verstoord raken, kan een heel gamma stressgebonden aandoeningen ontstaan. Dat kunnen psychische of psychiatrische aandoeningen zijn zoals een depressie, maar men weet tegenwoordig ook steeds beter hoe dit ontregelde stresssysteem kan leiden tot allerhande lichamelijke klachten zoals fibromyalgie (pijnsyndroom dat lichamelijk onverklaard is, maar vaak voorafgegaan wordt door een stresssituatie zoals een lichamelijk trauma, bijvoorbeeld een wiplash). De overproductie van stresshormonen werkt ontregelend op het pijnsysteem, maar ook op heel wat andere systemen. Meer en meer wordt duidelijk dat blijvend verhoogde niveaus van stresshormonen in combinatie met lichamelijke factoren zoals een genetische aanleg, maar ook met slechte voedingsgewoonten en weinig beweging, een bijdrage leveren tot wat tegenwoordig omschreven wordt als welvaartsziekten zoals hart- en vaatziekten, obesitas, diabetes type 2,... Blijvende hoge concentraties van stress-hormonen leveren zelfs een bijdrage tot osteoporose, vroegtijdige geheugenstoornissen en volgens sommige onderzoekers zelfs tot het vroegtijdig optreden van de ziekte van Alzheimer. Om de stress in balans te houden, is het belangrijk hoe je ermee omgaat. Om het met een populaire term te zeggen: positief denken heeft een belangrijke impact op de gezondheid en op het gezond ouder worden. Negatieve gebeurtenissen hebben een minder grote impact op mensen die de dingen positief zien. Een indrukwekkend onderzoek werd uitgevoerd in een Amerikaans nonnenklooster. Alle nonnen moesten bij hun intrede op papier zetten hoe ze het leven en hun toekomst zagen. Een onderzoeker ging de verbanden na tussen het aantal positieve woorden dat zij daarbij gebruikten en hun levensduur. Hij kwam tot de conclusie dat nonnen met een positieve levensvisie gemiddeld 7 jaar langer leven. Zeker. Men begint ook meer en meer te begrijpen hoe die persoonlijkheid gevormd wordt. Dat gebeurt niet van in de vroegste kinderjaren, maar reeds van tijdens de zwangerschap. Er zijn steeds meer bewijzen dat het stresssysteem zich begint te ontwikkelen in de baarmoeder en dat het cortisolsysteem van de baby onder invloed staat van het cortisol- niveau van de moeder. Als de moeder tijdens bepaalde gevoelige perioden van de zwangerschap zelf zeer angstig is of zware problemen heeft, dan is de kans groter dat het kind een veel gevoeliger, kwetsbaarder stresssysteem ontwikkelt. Eens het kind geboren is, spelen vroegtijdige invloeden een belangrijke rol: hoe de moeder met het kind omgaat, of het opgroeit in een warm nest, of de moeder zelf niet te veel onder druk staat... De ontwikkeling van systemen die ervoor moeten zorgen dat we veerkracht hebben om tegenslagen de baas te kunnen, wordt zeer sterk beïnvloed door vroegtijdige ervaringen. Als we de voorgeschiedenis reconstrueren van mensen met stressgebonden aandoeningen vinden we vaak (maar niet bij iedereen!) een geschiedenis die getekend wordt door veel problemen in de jeugd. Ik zeg niet dat dit de oorzaak is, maar wel een kwetsbaarheidsfactor die hen gevoeliger maakt voor stressgebonden aandoeningen, variërend van depressie tot psychosomatische aandoeningen in de breedste zin. We zoeken naar handvaten om de patiënt zo goed mogelijk te helpen. Eerst en vooral moeten we trachten de klachten zelf beter onder controle te brengen. Niemand kan leven met ernstige pijn. Dus moeten we eerst symptoomgericht werken. Bijvoorbeeld door het gebruik van pijnstillers, de slaap te verbeteren enz.. Maar erg belangrijk bij onverklaarde lichamelijke syndromen is dat de patiënt er zelf zo goed mogelijk vat op tracht te krijgen. Hij is degene die ervoor moet trachten te zorgen dat zijn klachten niet versterkt worden door allerhande stress. Dus beter leren omgaan met stress is zeker een belangrijk onderdeel van de behandeling (zie het kaderstuk hierboven). Nemen we nogmaals het voorbeeld van type 2-diabetes: iedereen weet dat een aangepaste voeding en voldoende beweging belangrijk onderdelen van de behandeling zijn. Maar bij iemand die voortdurend met hoge cortisolniveaus leeft omdat hij bijvoorbeeld te veeleisend is voor zichzelf, zal de diabetes veel moeilijker onder controle te krijgen zijn. Stressmanagement is bepalen wat we zelf kunnen doen om de balans te herstellen en hoe we dat het best doen. Zijn persoonlijkheid heeft men, de omstandigheden die zijn er en ze zijn voor sommige mensen heel hard, maar we bepalen voor een groot deel zelf of we er vat op trachten te krijgen of ons er volledig hulpeloos tegenover opstellen. Het grootste deel van de mensen met psychosomatische klachten komt bij de huisarts terecht. Hij moet dus in de eerste plaats oog hebben voor onderliggende stressproblemen en dan kijken hoe zijn patiënt het best geholpen kan worden. Voor sommige mensen volstaat een geruststellend woord of een luisterend oor, voor andere kan het betekenen dat ze moeten geholpen worden om de spanning onder controle te krijgen. Dat kan bijvoorbeeld met relaxatietechnieken. Bij grotere problemen én wanneer de patiënt gemotiveerd is, kan hij doorverwezen worden naar een psycholoog of een centrum voor geestelijke gezondheidszorg om klaarder te leren zien in zijn problemen. En om zelf te ontdekken hoe ze vaak te maken hebben met zijn eigen denkpatronen. Cognitieve gedragstherapie kan soms helpen om te leren inzien dat het vooral gaat over de manier waarop men met de dingen omgaat. Neen, dat zouden we graag hebben en daar wordt naar gezocht. Maar we hebben cortisol nodig opdat ons stresssysteem goed zou werken. Te weinig cortisol is ook niet goed. Het is een kwestie van een goed evenwicht te vinden. We zouden een medicijn moeten vinden dat het cortisolniveau bij mensen die gevoelig zijn voor een ontregeling, in goede banen leidt. Ik ben er zeker van dat het er ook zal komen. Hypochonders zijn mensen die zich heel snel ongerust maken over de een of andere lichamelijke gewaarwording, zich daarop gaan fixeren en op de duur aan niets anders meer kunnen denken. Het zijn mensen die telkens weer naar de dokter gaan om gerustgesteld te worden. Maar eigenlijk zijn die niet talrijk. Ongerustheid focust de aandacht. Pijn in de borststreek roept misschien bij sommige mensen angst op voor een hartinfarct. En die angst zorgt voor een opstoot van stresshormonen waardoor het risico voor een hartinfarct toeneemt. We kunnen niet anders dan vaststellen dat stressgebonden aandoeningen meer voorkomen bij vrouwen dan bij mannen. Mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom zijn bijvoorbeeld voor 80 % vrouwen. Dit suggereert dat vrouwen een kwetsbaarder stresssysteem hebben dan mannen. Maar het is ingewikkelder dan dat. Het is duidelijk dat de vrouwelijke geslachtshormonen hierbij een rol spelen. Een ander gegeven is dat mannen en vrouwen reageren op verschillende soorten stressoren. Mannen raken het meest gestresseerd door dingen die te maken hebben met prestaties, vrouwen meer als de stress verband houdt met relaties tussen mensen. Maar het geheel is een zeer complex systeem waarin bijzonder veel elementen een rol spelen. Denk bijvoorbeeld ook maar even aan de multipele taken die een vrouw op zich moet nemen: een job, de zorg voor kinderen, voor de ouders, de partner,... n 'In wankel evenwicht', Boudewijn Van Houdenhove, uitgeverij Lannoo, 332 p., A 17,95Leen Baekelandt