G ouden handdrukken en parachutes dorés, ze zijn de jongste tijd niet uit het nieuws te branden. Maar bestaat zoiets ook in de pensioenen? En is het verschil tussen een werknemers- en een ambtenarenpensioen inderdaad zo groot als gezegd wordt? Plus Magazine ging op onderzoek bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP, voor de werknemers) en bij de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS, voor de ambtenaren). Voor alle duidelijkheid: alle genoemde bedragen zijn bruto. Ze bevatten de verhogingen tot en met 1 oktober 2008, maar nog niet de nieuwe verhogingen die Leterme 1 beloofd heeft in de begroting 2009.
...

G ouden handdrukken en parachutes dorés, ze zijn de jongste tijd niet uit het nieuws te branden. Maar bestaat zoiets ook in de pensioenen? En is het verschil tussen een werknemers- en een ambtenarenpensioen inderdaad zo groot als gezegd wordt? Plus Magazine ging op onderzoek bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP, voor de werknemers) en bij de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS, voor de ambtenaren). Voor alle duidelijkheid: alle genoemde bedragen zijn bruto. Ze bevatten de verhogingen tot en met 1 oktober 2008, maar nog niet de nieuwe verhogingen die Leterme 1 beloofd heeft in de begroting 2009. Er is exact één Belg die van de RVP maandelijks een pensioen van euro 0,05 uitbetaald krijgt. Deze man of vrouw heeft welgeteld één dag in zijn/haar leven gewerkt en dan is ons sociale zekerheidssysteem onverbiddelijk: hij of zij heeft recht op dat pensioen. Anekdotisch? Misschien toch niet. Volgens de statistieken betaalde de RVP op 1 januari 2007 aan 346 047 Belgen (3,3 % van de bevolking) een werknemerspensioen van minder dan euro 500 per maand. Dat is vreemd. Wij dachten dat geen enkele Belg vanaf de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar, en dat vanaf 1 januari 2009 óók voor vrouwen) een lager inkomen kon hebben dan euro 590,60 per maand. Dat is immers sinds 1 oktober 2008 het bedrag van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO), althans voor mensen die samenwonen (officieel "als u met een partner of met verschillende personen samenleeft"). Woont u alleen, dan stijgt het IGO tot euro 885,90 per maand. Natuurlijk schuilt er een addertje onder het gras, namelijk de "andere bestaansmiddelen". Als u die nog hebt (een huis of nog wat deeltijdse arbeid bijvoorbeeld), dan mag u naar uw IGO fluiten of wordt ze sterk verminderd. De IGO mogen we bovendien niet verwarren met het minimumpensioen. Dat geldt voor mensen die gewerkt hebben als werknemer of als zelfstandige (voor ambtenaren gelden andere regels). Sinds de verhogingen van de voorbije maanden bedraagt dat minimumpensioen voor werknemers euro 1219,11 (gezinspensioen), euro 975,60 (alleenstaande) of euro 960,26 (overlevingspensioen). Voor zelfstandigen gaat het om euro 1158,09 (gezin) of euro 873,80 (alleenstaande of overlevingspensioen). Helaas zijn ook deze cijfers hoogst misleidend. Ze gelden voor mensen die een volledige loopbaan kunnen voorleggen (45 jaar voor mannen én vanaf 1 januari 2009 ook voor vrouwen). Maar wie heeft vandaag nog zo lang gewerkt? In de praktijk liggen de meeste minimumpensioenen dus lager want ze worden berekend in verhouding tot het aantal gewerkte jaren. Gelukkig worden mensen met een pensioen lager dan het IGO automatisch overgeschakeld op dat IGO-bedrag... maar dan moeten ze wel recht hebben op dat IGO. De 346 047 Belgen met een pensioen lager dan euro 500 per maand zijn vooral mensen die op dit vlak buiten de boot vallen. Zij staan vaak voor de keuze: hun huis verkopen of het proberen te redden met hun pensioentje. Aan de top staan de 13 piloten die een pensioen tussen euro 4501 en euro 4585 per maand opstrijken. Dat moet zowat het hoogste werknemerspensioen zijn dat de RVP uitkeert. U moet weten dat er voor werknemers een pensioenplafond bestaat. Zelfs als u een volledige loopbaan achter de kiezen hebt en veel overuren gepresteerd hebt, kan uw pensioen nooit hoger liggen dan euro 1828,73 (alleenstaande) of euro 2285,92 (gezinspensioen) per maand (toestand op 1 september 2008). Hé, dat is opnieuw vreemd. In de statistieken van de RVP staat dat de dienst op 1 januari 2007 aan 55 880 Belgen een pensioen van méér dan euro 2350 per maand uitbetaalde. 16 608 landgenoten beuren zelfs een maandpensioen boven de euro 3125. Wie zijn die mensen dan? Eerst en vooral arbeiders met een volledige of bijna volledige loopbaan, zo blijkt. Het pensioenplafond voor arbeiders geldt pas voor lonen vanaf 1 januari 1981. Arbeiders die al een flink aantal jaren dienst hadden vóór deze datum, kunnen dus door het genoemde pensioenplafond breken, zeker als ze veel overuren hebben gepresteerd of werkten in goedbetaalde sectoren als de chemie of de haven. Voor dat hogere bedrag hebben ze wel 45 jaar een fysiek belastend beroep uitgeoefend. Ten tweede heb je een aantal specifieke beroepen die ook aan dat pensioenplafond ontsnappen. Het gaat dan vooral om piloten in de burgerluchtvaart, mijnwerkers, zeelieden en journalisten. Deze beroepen hebben een specifiek pensioenstatuut, waarvoor tijdens hun actieve loopbaan van hun salaris elke maand een extra bedrag ingehouden wordt door de sociale zekerheid. De piloten zijn het beste af, want voor hen geldt dertig jaar reeds als een volledige loopbaan! Van de RVP spoeden we ons naar de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS). Hun website (www.pdos.fgov.be) bulkt van de statistieken. Wie zich door dat woud een weg kan banen, komt precies te weten welk type ambtenaar in welke beleidsgroep (federaal, regionaal, provinciaal,...) welk pensioen ontvangt. Laten we de cijfers spreken. Vastbenoemde ambtenaren kennen een gewaarborgd minimumpensioen van euro 1435 per maand. Daarvoor moeten ze minstens 20 jaar bij de overheid gewerkt hebben of een gemengde loopbaan gehad hebben (ter herinnering: voor het volledige minimumpensioen als werknemer is een loopbaan van 45 jaar vereist). Wie minder lang in overheidsdienst gepresteerd heeft, heeft recht op een lager minimumpensioen in verhouding tot het aantal jaren dienst (minimaal vijf dienstjaren). Sinds augustus 1978 geldt er ook een zogenaamd absoluut maximum voor ambtenarenpensioenen. In juni van dit jaar bedroeg dit euro 5691,56 per maand. Dit bedrag is het maximum dat je kunt bereiken in één volledige loopbaan of door samenvoeging van meerdere rust- en/of overlevingspensioenen binnen en buiten de openbare sector. In het geval van één loopbaan gaat het om de hoogste ambtenaren van ministeries en parastatalen (secretarissen-generaal), universiteitsprofessoren, militairen met de rang van generaal en hoger, de voorzitter van het Rekenhof en de hoge ambtenaren van instellingen als de Raad van State of het Grondwettelijk Hof. Omdat de ambtenarenwedden in de voorbije vijftien jaar relatief snel gestegen zijn, neemt het aantal Belgen met dit absolute maximum de jongste jaren verrassend snel toe: van 2054 in 2006 tot 2639 in 2007. En jawel, ook hier is dit absolute maximum minder absoluut dan u zou denken. Met de Copernicushervorming kunnen federale topambtenaren gedurende zes jaar een speciale opdracht krijgen. Ze hebben dan recht op een aanvullend pensioen als mandaathouder van de federale overheid. Dat mandaat kan na zes jaar verlengd worden. Voor hen kan het absolute maximum met 20 % verhoogd worden. Hier zal de kassa dus rinkelen tot euro 6830 per maand. Er bestaan meerdere redenen waar-om ambtenarenpensioenen hoger liggen dan deze van werknemers, horen we bij de PDOS. De klassieke reden is gekend: ook al wordt de kloof kleiner, tal van ambtenaren verdienen nog steeds minder dan overeenkomstige functies in de particuliere sector en bij de meeste overheidsdiensten blijft een groepsverzekering onbestaande. Het pensioen moet dat compenseren ("als uitgesteld loon"). Er zijn ook structurele verklaringen voor het verschil. De ambtenarenpensioenen evolueren automatisch mee met de welvaart (de zogenaamde perequatie), de werknemerspensioenen zijn afhankelijk van de verhogingen waartoe de regering al dan niet beslist. Bij ambtenaren wordt het pensioen berekend op de gemiddelde maandwedde van de laatste vijf jaar van hun loopbaan, voor werknemers wordt de hele loopbaan in acht genomen en speelt het eerder beschreven pensioenplafond een rol. Toch klinkt de vraag steeds luider hoe lang dat verschil nog vol te houden valt. De overheidsdiensten zien zich geconfronteerd met twee problemen die almaar acuter worden. Door de federalisering van België en ook door de autonomie van de overheidsbedrijven voeren tal van instellingen vandaag een eigen loonbeleid. Dat zal nu snel gaan leiden tot grote pensioenverschillen tussen pakweg een OCMW-ambtenaar en een bureauchef op een federaal ministerie. Of tussen een Vlaamse en een Franstalige kleuteronderwijzeres. Een nog groter probleem wordt het verschil tussen vastbenoemde ambtenaren en contractuelen. Sinds de nepstatuten uit de jaren 70 is het aantal contractuele en tijdelijke personeelsleden bij de overheid voortdurend toegenomen ten opzichte van de vastbenoemden. In de lokale be-sturen vormen ze nu al 57 % van de work force. Ook de topmanagers van Belgacom, De Post en andere overheidsbedrijven zijn contractueel. De eerste generatie contractuelen begint nu echter met pensioen te gaan. Vaak hebben ze heel hun loopbaan hetzelfde werk gedaan als vastbenoemde collega maar toch zullen ze het veel lagere werknemerspensioen krijgen. De gemeente Alken heeft in juli 2008 de kat de bel aangeboden door voortaan alle tijdelijke personeelsleden net vóór hun pensioen vast te benoemen. Die krijgen dan een ambtenarenpensioen voor alle jaren dat ze voor de overheid gewerkt hebben. Als alle Belgische gemeenten dit voorbeeld volgen, is de PDOS failliet. Aan discussiestof ontbreekt het de nationale pensioenconferentie die enkele weken geleden door minister Arena werd opgestart, zeker niet! nLudo Hugaerts