Voor mij zitten drie jongedames. Een drieling, dacht ik eerst, ware het niet dat er toch enig leeftijdsverschil is: twee zijn negentien en twintig, net volwassen dus, de jongste is zeventien. Het zijn de drie dochters van een van mijn patiënten. Hun moeder is opgenomen op intensieve zorg met een longontsteking. De vrouw wordt al dagenlang in een kunstmatige slaap gehouden. Wellicht zullen er nog vele dagen volgen.
...

Voor mij zitten drie jongedames. Een drieling, dacht ik eerst, ware het niet dat er toch enig leeftijdsverschil is: twee zijn negentien en twintig, net volwassen dus, de jongste is zeventien. Het zijn de drie dochters van een van mijn patiënten. Hun moeder is opgenomen op intensieve zorg met een longontsteking. De vrouw wordt al dagenlang in een kunstmatige slaap gehouden. Wellicht zullen er nog vele dagen volgen. Ze vertellen me dat hun vader enkele jaren geleden overleden is aan darmkanker. Dus nu staan ze er alleen voor. Er zijn geen andere naaste familieleden die hen kunnen bijstaan, niet in het delen van hun verdriet en zorgen, ook niet wat de praktische en financiële zaken betreft. Buiten de hulp van een sociaal werker van het ziekenhuis moeten ze alles zelf regelen. Toch heb ik de indruk dat ze dat voortreffelijk doen. De taken zijn verdeeld. De oudste voert het woord over alles wat de medische situatie van hun moeder aangaat. De tweede doet de geldzaken en andere paperasserij. De jongste zorgt dat er eten op tafel komt. Ik geef een update van de toestand van hun moeder: voor het eerst is er sprake van stabilisering. Licht aan het einde van de tunnel. Vastberaden, maar met tranen van opluchting in de ogen, aanhoren ze het goede nieuws. Wat een moedige vrouwen, denk ik. Ons gesprek wordt onderbroken door de secretaresse die mij komt vragen om dringend de echtgenote van patiënt K. te woord te staan. De dame blijkt helemaal over haar toeren. Niet zozeer omdat haar man al dagen kritiek ziek is, maar nu vooral omwille van de problemen die zich op het thuisfront beginnen op te stapelen. Haar echtgenoot heeft een klein bouwbedrijf. Vanochtend stonden enkele potige gasten ongeduldig voor de deur van hun huis: 'het personeel van mijn man dat kwam vragen om eindelijk hun loon uit te betalen', legt de vrouw wanhopig uit. Ze heeft geen toegang tot zijn rekeningen. Geen flauw benul van zijn boekhouding. Dat zijn zaken die uiteindelijk wel in orde komen, sus ik. Maar niet zonder dat er eerst een administratief hindernissenparcours doorworsteld moet worden, vrees ik. In de auto op weg naar huis denk ik terug aan de drie zussen, en aan de vrouw van de aannemer. Ik denk aan mijn privésituatie, waar de taken verdeeld zijn. Stel dat ikzelf door een ziekte uitgeschakeld wordt, heeft mijn vrouw dan genoeg informatie om de zaken over te nemen die ik gewoonlijk regel? En vice versa? Ik neem me voor hier dringend werk van te maken. Instructies in detail op papier te zetten. Morgen. Of overmorgen. Of als ik nog eens tijd heb.