Ons pensioenstelsel is gebaseerd op het storten van bijdragen. Wie geen bijdragen betaalt, heeft geen pensioen. Zo eenvoudig is het (meestal). Wie een aantal jaren niet of deeltijds heeft gewerkt, krijgt op het moment van zijn oppensioenstelling de rekening gepresenteerd. En laat het nu vooral vrouwen zijn die daarmee te maken krijgen. Daarvan getuigt ook onze lezeres Lieve (zie p. 71). Als vrouwen dan ook nog eens geconfronteerd worden met een scheiding, is hun financiële situatie vaak niet rooskleurig. "Had ik toen geweten welke financiële kater me te wachten stond", horen we sommigen onder u zuchten. Tijd om uw dochter(s) te waarschuwen voor de valkuilen van een geaccidenteerde loopbaan.
...

Ons pensioenstelsel is gebaseerd op het storten van bijdragen. Wie geen bijdragen betaalt, heeft geen pensioen. Zo eenvoudig is het (meestal). Wie een aantal jaren niet of deeltijds heeft gewerkt, krijgt op het moment van zijn oppensioenstelling de rekening gepresenteerd. En laat het nu vooral vrouwen zijn die daarmee te maken krijgen. Daarvan getuigt ook onze lezeres Lieve (zie p. 71). Als vrouwen dan ook nog eens geconfronteerd worden met een scheiding, is hun financiële situatie vaak niet rooskleurig. "Had ik toen geweten welke financiële kater me te wachten stond", horen we sommigen onder u zuchten. Tijd om uw dochter(s) te waarschuwen voor de valkuilen van een geaccidenteerde loopbaan. Hoeveel moeders bleven niet - een tijdje of definitief - thuis om voor de kinderen te zorgen? Omdat elk jaar tewerkstelling meetelt voor de berekening van het pensioen en er 45 gewerkte jaren nodig zijn om aan een volledige loopbaan te komen, is het niet verwonderlijk dat veel vrouwen geen volledig (en dus een laag) pensioen hebben. Bovendien moet er ook een minimum aantal jaren gewerkt worden om in aanmerking te komen voor het vervroegd pensioen, om recht te hebben op een minimumpensioen en een minimum per loopbaanjaar. FORMULE De berekening van een pensioen van loontrekkende is: (Begrensd) loon voor het gewerkte jaar x herwaarderingscoëfficiënt x 60 % 45 De uitkomst geeft het pensioenbedrag voor één jaar. Al deze jaarresultaten worden opgeteld en geven samen het totaalbedrag van uw pensioen. Het jaarloon wordt begrensd. Voor 2010 ligt deze grens op euro 47.960,29. Verdiende u meer dan dit bedrag, dan wordt met dit surplus geen rekening gehouden. In de huidige reglementering is het nog steeds mogelijk de maand na die waarin u 60 jaar wordt, vervroegd met pensioen te gaan. Daar is wel een voorwaarde aan verbonden: u moet 35 jaar 'gewoonlijk en hoofdzakelijk' gewerkt hebben, d.w.z. dat uw tewerkstelling elk van die 35 jaren moet overeenstemmen met 1/3 van een voltijdse tewerkstelling. Ons pensioensysteem kent een minimumpensioen toe aan wie minstens 30 jaar gewerkt heeft. Sinds het Generatiepact (2006) is de regeling versoepeld om ook deeltijdse jaren te laten meetellen. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen iemand die elk van die 30 jaar minstens 2/3 gewerkt heeft en iemand die minder actief was, maar elk jaar minstens halftijds. De eerste categorie heeft recht op het volledige bedrag van het minimumpensioen (euro 12.796 per jaar voor een alleenstaande en euro 15.989,96 per jaar voor een gezin), vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk (het totaal aantal gewerkte jaren/45). Voor de tweede categorie ligt het minimumpensioen lager. Het Generatiepact heeft deze versoepeling (het feit dat deeltijdse jaren meetellen) doorgevoerd, maar uiteraard blijven er personen - vooral vrouwen - die niet aan 30 gewerkte jaren komen. Bent u tussen uw 25ste en uw 35ste thuisgebleven om voor de kinderen te zorgen en wilt u stoppen op 58 jaar, dan komt u meestal niet aan 30 loopbaanjaren. In dat geval hebt u geen recht op een minimumpensioen. Naast het minimumpensioen, bestaat er ook een 'minimumrecht per loopbaanjaar'. Wie minstens 15 jaar gewerkt heeft, waarbij elk jaar moet voldoen aan een minimum van één derde van een voltijdse betrekking, krijgt een 'minimumrecht' per loopbaanjaar'. Als u een bepaald jaar niet het minimum hebt verdiend, dan krijgt u voor dat jaar een hoger fictief inkomen waarop uw pensioen wordt berekend. Hier krijgt u dus een hoger pensioen dan dat waar u bijdragen voor betaald hebt. Momenteel bedraagt het minimumrecht per loopbaanjaar euro 21.326,67. Het 'minimumrecht per loopbaanjaar' is een manier om het pensioen wat op te trekken voor mensen die een laag loon hebben en niet in aanmerking komen voor het minimumpensioen (omdat ze geen 30 jaar gewerkt hebben), maar wel 15 jaar gewerkt hebben. Let wel, ook het bedrag van het minimumrecht wordt aangepast in verhouding met uw arbeidsregeling. Wie deeltijds werkt, zal later ook maar een 'deeltijds pensioen' krijgen, tenzij u deeltijds gewerkt hebt in een stelsel van loopbaanonderbreking of tijdskrediet (zie hieronder). Het is niet zo dat eerst het 'volledige pensioen' wordt berekend (of de pro rata voor wie minder dan 45 jaar gewerkt heeft) en dan de verhouding deeltijds/voltijds wordt toegepast. Deeltijdse arbeid wordt, net zoals voltijdse arbeid, per kalenderjaar bekeken. Stel dat u een bepaald kalenderjaar 4/5 hebt gewerkt, dan wordt binnen dat jaar de 4/5 ingecalculeerd voor het pensioenbedrag van dat jaar. Voor deeltijdse werknemers wordt het aantal gewerkte dagen 'samengedrukt' tot voltijdse dagen. Hebt u een heel jaar halftijds gewerkt - bijvoorbeeld telkens een halve dag -, dan zult u voor dat jaar 156 voltijds gewerkte dagen krijgen (312/2). Deze samendrukking wordt in de formule verrekend door de jaarloongrens aan te passen. De jaarloongrens is een grensbedrag voor een voltijds jaar of 312 gewerkte dagen (er wordt nog steeds in een zesdagenweek gerekend). Voor deeltijdse werknemers wordt een jaarloongrens in verhouding tot hun arbeidsstelsel in aanmerking genomen. VOORBEELD U hebt halftijds gewerkt in 2010 en verdiende euro 1850 bruto per maand. De jaarloongrens voor 2010 bedraagt euro 47.960,29 voor een voltijdse werknemer. Voor iemand die halftijds gewerkt heeft in 2010 bedraagt ze euro 23.980,14. Het kalenderjaar 2010 levert u op: 23.980,14 x 60%/45 = euro 319,73 Uw werkelijke brutoloon (1850 x 13 = euro 24.050) bedraagt meer dan de loongrens en wordt dus begrensd. Wie deeltijds werkt in het kader van een loopbaanonderbreking of een tijdskrediet, is (gedeeltelijk) gelijkgesteld voor het latere pensioen. Voor loontrekkenden (privésector) geldt volgende regeling: Wie een voltijds tijdskrediet neemt is maximaal 3 jaar gelijkgesteld voor het pensioen. Wie een tijdskrediet van 1/5 neemt en jonger is dan 50, is maximaal 5 jaar gelijkgesteld. 50-plussers zijn de hele duur van het tijdskrediet gelijkgesteld. Wie een halftijds tijdskrediet neemt en jonger is dan 50, is maximaal 3 jaar gelijkgesteld. Vijftigplussers met een halftijds tijdskrediet zijn voor de hele duur gelijkgesteld voor het pensioen. Naast deze algemene vormen van tijdskrediet, zijn er nog de thematische verloven, zoals het verlof om medische bijstand van een ziek familielid of het palliatief verlof. Deze periodes zijn voor iedereen (jonger of ouder dan 50 jaar) volledig gelijkgesteld voor het pensioen. Voor wie niet als loontrekkende werkt, maar als statutair of contractueel personeelslid bij een lokaal of provinciaal bestuur of bij een andere overheidsdienst (federaal, gewest, gemeenschap, politie, het onderwijs,...) gelden andere regels inzake loopbaanonderbreking of tijdskrediet en de gelijkstelling voor het pensioen. U vindt ze op de website van de RVA: www.rva.fgov.be, klik op Reglementering en Infobladen werknemer. Echtgenoten die meewerken in de zaak van hun wederhelft hebben lange tijd geen eigen sociale rechten kunnen opbouwen en dus ook geen eigen pensioen. In 2003 is daar verandering in gekomen en sindsdien zijn meewerkende echtgenoten zelfs verplicht aan te sluiten bij het sociaal verzekeringsfonds van hun partner. Wanneer u gehuwd bent of wettelijk samenwoont met een zelfstandige en u helpt uw partner minstens 90 dagen per jaar maar u hebt geen eigen inkomen (of vervangingsinkomen), dan wordt u wettelijk vermoed een meewerkende echtgeno(o)t(e) te zijn. Werkt u minder dan 90 dagen per jaar voor uw echtgenoot, dan valt u buiten de regeling voor meewerkende echtgenoten. U moet dan wel een verklaring op erewoord invullen, die u ondertekent en aangetekend opstuurt naar het sociale verzekeringsfonds van uw partner. Is uw echtgenoot bedrijfsleider, dan valt u ook buiten de regeling van de meewerkende echtgenoten. Tot 30 juni 2005 was de meewerkende echtgeno(o)t(e) enkel verplicht aan te sluiten voor het 'ministatuut' om verzekerd te zijn tegen arbeidsongeschikt- heid, invaliditeit en - voor de vrouwen - bij moederschap. Voor die risico's bestonden immers geen afgeleide rechten via de echtgenoot of partner. Sinds 1 juli 2005 bent u als meewerkende echtgeno(o)t(e) verplicht aan te sluiten voor het 'maxistatuut'. Via dit statuut bent u gedekt voor pensioen, gezinsbijslag, gezondheidszorg, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en moederschap (geen faillissementsverzekering). Momenteel kunnen enkel vrouwen geboren voor 1956 ervoor kiezen om enkel aan te sluiten voor het ministatuut. Via het maxistatuut kunt u een eigen pensioen opbouwen. De inkomsten waarop het pensioen berekend wordt zijn geplafonneerd op iets meer dan euro 51.000. Het is echter niet de bedoeling dat u in totaal als gezin minder pensioen krijgt dan wanneer een gezinspensioen zou worden toegekend. Als de som van de individuele pensioenen (dat van de zelfstandige partner plus dat van de meewerkende echtgeno(o)t(e)) kleiner zou zijn dan het gezinspensioen waarop men in de oude regeling recht zou hebben, dan wordt het gezinspensioen toegekend. Wie dus voor het pensioen beter af was met de oude regeling dan met het nieuwe statuut, zal een pensioen uitgekeerd krijgen volgens de oude regels. Sommige vrouwen kiezen voor een zelfstandige loopbaan omdat het werk vaak flexibeler is en dus beter te combineren met een gezin. Maar ook deze keuze heeft gevolgen voor het bedrag van het latere pensioen. Het zelfstandigenpensioen ligt immers nog altijd een heel stuk lager dan een werknemerspensioen. Om u een idee te geven: het hoogste pensioen dat een zelfstandige momenteel kan opbouwen is euro 1.127,13 bruto per maand. Dit in de veronderstelling dat hij/zij 45 jaar als zelfstandige gewerkt heeft en steeds de maximale bijdragen heeft betaald, berekend op de maximale (geplafonneerde) referte-inkomsten. Voor een werknemer is dat euro 1.987,73 bruto per maand (bedrag alleenstaande). De toekenning van het zelfstandigenpensioen gebeurt door de Rijksdienst Sociale Verzekering der Zelfstandigen. De betaling gebeurt door de Rijksdienst voor Pensioenen. Ook zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een minimumpensioen, dat hoger is dan het pensioen op basis van de beroepsinkomsten. U moet hiervoor minstens 2/3 van een volledige loopbaan (45 jaar) bewijzen, dus 30 jaar gewerkt hebben. Hiervoor tellen niet enkel de jaren als zelfstandige of als helper, maar ook de jaren die u als werknemer gewerkt hebt. Het zelfstandige werk moet wel in hoofdberoep gedaan zijn. Het minimumpensioen bedraagt momenteel euro 15.726, 35 per jaar voor een gezin en euro 12.085,25 voor een alleenstaande. Zelfstandigen die stoppen met werken voor hun 65ste, worden nog altijd gesanctioneerd. Vroeger werd het pensioen verminderd met 5 % per jaar dat u vroeger stopte. Wie vijf jaar vroeger stopt verlies nog steeds 25% maar nu vermindert de sanctie naargelang u dichter bij uw 65ste stopt: n 3 % als u op 64 jaar stoptn 4 % als u op 63 stopt (samen 7%)n 5 % als u op 62 stopt (samen 12%)n 6 % als u op 61 stopt (samen 18%)n 7 % als u op 60 stopt (samen 25%)LET OP! Als u 42 loopbaanjaren kunt bewijzen, is er geen sanctie wanneer u stopt tussen uw 60ste en uw 65ste. Voor zelfstandigen bestaat er geen tijdskrediet zoals voor werknemers. Maar sinds 1 januari 2010 kan een zelfstandige, onder bepaalde voorwaarden, vrijstelling van bijdragen krijgen - met behoud van pensioenrechten: onderbreekt u uw beroepsactiviteit om voor een zwaar ziek kind te zorgen, dan moet u geen bijdragen betalen voor het kwartaal dat volgt op het begin van de onderbreking. Dat kwartaal wordt voor de opbouw van uw pensioenrechten gelijkgesteld met een periode van beroepsbezigheid. stopt u tijdelijk om uw terminaal zieke kind of echtgenoot bij te staan, dan heeft u recht op een uitkering. Voor het kwartaal dat volgt op het begin van de onderbreking krijgt u vrijstelling van bijdragen, met behoud van uw pensioenrechten. Annemie Goddefroy