Met de oprichting van Ga2len (het Global Allergy and Asthma European Network), een netwerk van 26 Europese onderzoekscentra die de krachten bundelen, verklaart de Europese Unie de oorlog aan astma en allergieën.
...

Met de oprichting van Ga2len (het Global Allergy and Asthma European Network), een netwerk van 26 Europese onderzoekscentra die de krachten bundelen, verklaart de Europese Unie de oorlog aan astma en allergieën. Prof. Van Cauwenberge, coördinator van het Europese project: Het hoofddoel is kwaliteitsvol onderzoek te doen naar alle aspecten van allergie, met de bedoeling dit probleem in de toekomst doeltreffender te kunnen aanpakken. Voeding, erfelijke aanleg, vervuiling, infecties,... alles wat allergie kan beïnvloeden in alle fasen van het leven komen aan bod, en dit beginnend van voor de geboorte. Voor dergelijk onderzoek heb je een netwerk nodig omdat je nooit alleen zulke grote studies kunt doen of nooit alle expertise in huis hebt. Met een netwerk kun je als het ware één groot onderzoekscentrum uitwerken, waarbinnen onderzoeksstalen en resultaten worden uitgewisseld. Onze 26 centra doen aan onderzoek, maar geven ook opleidingen, verzorgen een website en publicaties en zo meer. En Ga2len is uiteraard ook een spreekbuis en een aanspreekpunt waarmee door de beleidsvoerders gepraat wordt. Bij een allergie gaat het steeds om een interactie tussen de genetische aanleg en de uitlokkende factoren. De aanleg is iets dat zich ontwikkelt over tienduizenden jaren. Dit kan niet op enkele generaties zo dramatisch veranderen. Het zijn bijgevolg de uitlokkende factoren of de omgevingsfactoren die de laatste decennia drastische veranderd zijn. In het begin van de 20ste eeuw kwam allergie voor bij 1 tot 2 % van de bevolking, en dat percentage was overal ter wereld ongeveer hetzelfde. Maar met factoren zoals de verwesterlijking, de milieuvervuiling, het hygiënischer worden van onze levensomstandigheden, het steeds meer gesloten worden van onze behuizing, de airconditioning en de dubbele beglazing, heeft het aantal allergieën een explosieve groei gekend. Een tijdlang heeft men gedacht dat de milieuvervuiling de verklarende factor was. Maar zo eenvoudig is het niet. Dat bleek bij de eenmaking van Duitsland. In het sterker vervuilde Oost-Duitsland bleken veel minder allergieën voor te komen. Na de eenmaking is de voormalige DDR echter aan een inhaalbeweging begonnen. Het gaat om een hele reeks factoren die allemaal in dezelfde richting werken: ze zorgen ervoor dat ons immuunsysteem, ons natuurlijk verdedigingsmechanisme, op een totaal andere manier op de proef wordt gesteld dan vroeger. Door de toegenomen hygiëne moet ons immuunsysteem zich nauwelijks nog weren tegen schadelijke micro-organismen, dus gaat het zich richten tegen onschadelijke dingen zoals pollen en huisstofmijten. Dat gevecht geeft dezelfde symptomen alsof het zich verdedigt tegen een schadelijk product. Want vaak is het in feite eerder ons afweersysteem dat tot symptomen leidt dan de infectie zelf. Een ontsteking van het slijmvlies bijvoorbeeld leidt tot een betere doorbloeding daarvan, met de bedoeling zoveel mogelijk antistoffen naar de infectiehaard te krijgen. Daardoor zwelt het slijmvlies en zit je neus dicht. Dat symptoom wordt dus veroorzaakt door ons eigen afweersysteem. Bij neusloop worden de klieren gestimuleerd om meer waterige secreties te produceren om de schadelijke stoffen weg te spoelen. Niezen is een reflexmechanisme om ziekteverwekkers weg te blazen. Jeuk heeft de bedoeling ziektekiemen weg te wrijven. Dit zijn allemaal afweersymptomen. Wanneer je nu op een onschadelijke stof zoals stuifmeel reageert, geeft dat ongeveer dezelfde symptomen. Dat is de hoofdverklaring. De tweede oorzaak is dat we met meer en meer moleculen in contact komen. Vroeger stonden alle deuren van een huis open of, zelfs als ze dicht waren, bleven er overal kieren en spleten. In Afrika is dat nog altijd zo en de concentratie van stof in huis is daar minder groot omdat het naar buiten waait. Isolering, dubbele beglazing, airco,... het heeft het wooncomfort verbeterd en ons energieverbruik beperkt, maar het is de allergie niet ten goede gekomen. Bovendien worden er voortdurend nieuwe stoffen ontwikkeld waardoor het aantal nieuwe moleculen waarmee we in contact komen en waarop we allergisch kunnen reageren ontzettend is toegenomen. Een allergie is zeer specifiek gericht tegen een bepaalde molecule. Als je bijvoorbeeld allergisch bent voor één soort paarden, ben je dat niet noodzakelijk voor een ander ras. Soms bestaat er een kruisreactie (zie kader p. 57) die ertoe leidt dat je voor alle soorten allergisch bent maar dat is niet altijd zo. De kans dat je op termijn ook allergisch wordt voor andere rassen is dan wel groter. Hetzelfde geldt voor stuifmeel. Tijdens de vakantie zul je met andere bloemen en planten in contact komen dan thuis. Al moet ik daaraan toevoegen dat sommige moleculen zo sterk op elkaar lijken dat je er door kruisoverdracht toch allergisch op reageert. Zo kan het gebeuren dat wie allergisch is voor graspollen, ook allergisch wordt voor berkenpollen. Dertig tot veertig jaar geleden was die er nauwelijks, in België. Maar driekwart van de mensen die allergisch zijn aan graspollen, zijn dat intussen ook aan berkenpollen. Toch zijn er niet zoveel berken bijgekomen. Wel is het zo dat de berken meer pollen zijn gaan produceren, een gevolg van de vervuiling. Als een planten- of boomsoort in de verdrukking komt door milieufactoren, dan gaat die om de voortzetting van de soort veilig te stellen meer pollen produceren zodat maar zaadjes de kans krijgen om uit te groeien tot bomen. Nu ga je nooit onmiddellijk allergisch reageren op een product, er is altijd een sensibilisatiefase. En hoe hoger de belasting (de load), hoe groter de kans dat je overgevoelig wordt. Als je in een stuifmeelrijke omgeving leeft, heb je meer kans om allergisch te worden aan stuifmeel dan in een omgeving waar weinig stuifmeel voorkomt. Dat verklaart waar-om kinderen die in de lente geboren zijn meer kans hebben om hooikoorts te ontwikkelen dan zij die geboren zijn na het pollenseizoen. Dit brengt ons bij een ander belangrijk aspect: de eerste maanden van het leven - en waarschijnlijk ook de periode voor de geboorte - zijn erg belangrijk bij het ontstaan van allergie. Een kind dat in een omgeving geboren wordt waar het courant in aanraking komt met ziektekiemen, zoals een boerderij, zal veel meer beschermd zijn tegen allergie. Wanneer een kind echter pas na het eerste levensjaar op die boerderij gaat wonen, zien we het omgekeerde. Dit betekent dat die beïnvloedbaarheid van het immuunsysteem groot is bij het prille begin van het leven, maar dat niet blijft. Als kinderen reageren tegen bacteriën waarmee ze in contact komen, heeft hun immuunsysteem geen tijd om te reageren tegen graspollen en dergelijke. Hetzelfde geldt voor gezinnen met huisdieren. Dit wil niet zeggen dat een kind dat opgroeit met een kat specifiek beschermd is tegen een allergie voor katten, maar wel dat het in het algemeen minder kans loopt op het ontwikkelen van een allergie. Een gelijkaardig verschijnsel zie je in gezinnen met veel kinderen. Oudere kinderen besmetten hun broers en zussen regelmatig met één of andere aandoening, zodat het immuunsysteem van de jongere kinderen zich nuttig kan bezighouden. Zij zullen minder makkelijk allergisch zijn dan hun oudste broer of zus. Ik denk dat het te verklaren is door de toegenomen load, het grotere aantal vreemde moleculen waarmee we in contact komen. Allergie vertrekt van een erfelijke aanleg en dus zou je verwachten dat een allergie zich al op jonge leeftijd uit. Maar de aanleg voor allergie is geen ja of neen-fenomeen. Tot nu toe zijn al meer dan 20 factoren ontdekt die een rol kunnen spelen bij het al dan niet ontstaan van allergie. Neem dat je er daar 6 of 7 van hebt die je gevoelig maken voor allergie, dan ga je niet veel allergeen nodig hebben om allergisch te reageren, maar als je maar één voorbeschikkende factor hebt, dan moet je al een grote hoeveelheid allergenen binnen krijgen vooraleer het afweersysteem erop zal reageren. Dat maakt het heel moeilijk om genetische studies te doen in verband met allergie en astma. Bij allergie spelen IgE een belangrijke rol (zie kader links). Welnu, sommige mensen zullen gemakkelijker IgE aanmaken dan andere, dat is genetisch bepaald. Maar niet alle mensen die gemakkelijk IgE aanmaken, reageren allergisch. Er is ook de productie van andere stoffen (cytokines) die een rol speelt en al die processen worden afzonderlijk genetisch gereguleerd. Als je al die stoffen makkelijk aanmaakt, dan zul je allergisch worden, maar als het er slechts één is, dan zal een beetje pollen misschien niet voldoende zijn om een reactie uit te lokken. Zo kan het gebeuren dat iemand op zijn 65ste allergisch wordt voor de pollen van gras waar hij al zijn hele leven mee in contact komt, maar waarvan hij nu plots met een bijzonder grote lading af te rekenen krijgt. Maar over het algemeen neemt allergie af met de leeftijd. De hygiënehypothese geldt voor alle vormen van allergie en ook op het vlak van de voedingsallergieën spelen de kruisreacties. Wie allergisch is voor graspollen, zal bijvoorbeeld vaak ook allergisch zijn voor appel. Maar dat we met veel meer verschillende soorten in contact komen, is hier zeker van doorslaggevend belang. Neem al die exotische fruitsoorten. Die aten we vroeger nooit. En met hoe meer verschillende molecules je in contact komt, hoe groter de kans dat je vroeg of laat toch eens op de een of de andere allergisch gaat reageren. Probiotica vormen nog een heel controversieel domein. Voor bepaalde lactobacillen (goede bacteriën in onze darmen) is vastgesteld dat hoe meer er in de darm voorkomen, hoe kleiner de kans is dat je allergisch wordt. Die relatie is aangetoond. Maar wat is de verklaring? Krijgen mensen een andere darmflora omdat ze allergisch zijn of worden ze allergisch omdat ze een andere darmflora hebben? Op dit punt zijn de resultaten niet eenduidig. Een gelijkaardig voorbeeld: kinderen in Afrika hebben vaak darmparasieten en hoe meer darmparasieten, hoe minder kans dat dit kind allergisch is. De vraag is nu: krijgen ze minder parasieten omdat ze allergisch zijn of worden ze allergisch omdat ze niet veel parasieten hebben en hun afweersysteem dus maar tegen andere allergenen gaat reageren? Wat is de kip en wat is het ei? Dat is niet duidelijk. Bovendien komen darmparasieten voor bij de minst hygiënische kinderen, dus heb je de bijkomende vraag of niet de levensstijl hier bepalend is, eerder dan de parasieten. Het is een complexe materie. Neem dat de hygiënetheorie bevestigd wordt. In plaats van de kinderen dan ziek te laten worden door bacteriën om hen te beschermen tegen allergieën, zouden we hen een vaccin kunnen geven met verzwakte bacteriën of met de toxines die de bacteriën produceren. Deze bacteriën (of toxines) zouden dan zo gewijzigd worden dat het immunologische aspect aanwezig blijft, maar niet het ziekmakende. Hetzelfde principe dus als bij het griepvaccin. Als we zo'n vaccin kunnen ontwikkelen en dit heel vroeg na de geboorte - of misschien zelfs voor de geboorte - toedienen, zouden we ervoor kunnen zorgen dat het afweersysteem van de kinderen daartegen gaat vechten maar zonder ziekteverschijnselen, en niet tegen allergenen. Men is volop bezig met de ontwikkeling van dergelijke vaccins. De belangrijkste medicamenten die op dit ogenblik beschikbaar zijn, namelijk de antihistaminica en de lokale corticoïden, wordt steeds sterker en hebben steeds met minder bijwerkingen. De producten die gebruikt worden voor desensibilisatie- kuren worden steeds zuiverder, gerichter en minder gevaarlijk. Bij een desensibilisatie maken we het afweersysteem tolerant tegen bepaalde allergenen. Dat doen we onder meer door andere antilichamen op te wekken, de zogenaamde IgG's. Die gaan bij een volgend contact het allergeen pakken zonder symptomen uit te lokken. De meest spectaculaire nieuwigheid in de behandeling is een anti-IgE. Het gaat hier om een molecule die onze IgE's gaat vangen en elimineren. En zonder IgE's reageer je niet allergisch en kunnen er geen symptomen ontstaan. In vele landen is dit geneesmiddel al geregistreerd maar in België nog niet. Zodra dat het geval is, kan het gebruikt worden in de behandeling van ernstige vormen van astma. In principe zou dat ook kunnen bij andere vormen van allergie zoals hooikoorts, maar daarvoor is het helaas veel te duur. Men is ook nog met tal van andere producten aan het experimenteren. Technologisch is het nu al mogelijk om antistoffen aan te maken tegen alle stoffen die een rol spelen bij een allergische reactie, dus niet alleen meer tegen histamine. nLeen Baekelandt