Vlamingen en Walen, allebei eisen we de roots van de cuberdon op. In Vlaanderen gaat het verhaal dat we het recept van de cuberdon te danken hebben aan een pastoor uit Brugge: qua vorm heeft het snoepgoed inderdaad wat weg van een 'pastoorshoed', zoals het snoepje vroeger wel eens werd genoemd. Maar volgens de overlevering kwam het recept van het neuzeke - tsjoepke voor de Gentenaars - in 1873 bij toeval tot stand toen de Gentse apotheker De Vynck een siroop maakte om de houdbaarheid van medicijnen te verhogen. Na een paar dagen bleek er zich rond het mislukte preparaat een korst te hebben gevormd, terwijl de kern nog vloeibaar was. En dus groeide de idee om de siroop te commercialiseren als bonbon. Een verhaal waar ook Confiserie Geldhof uit Eeklo, die het recept zou hebben gekregen van de kleinzoon van De Vynck, mee uitpakt. In Wallonië klinkt het dan weer dat de term cuberdon etymologisch een verbastering is van cul de bourdon (het kontje van de horzel) en dat het snoepje oorspronkelijk uit het westen van Henegouwen komt.
...