Op het kruispunt van de vier straten van de gele mijnwerkerscité van Bois du Luc ziet u meteen wat deze plek zo bijzonder maakt. Op het einde van de rue du Midi staat, bovenop een helling, de vroegere directeurswoning. Van hieruit kon de mijnverantwoordelijk de wijk in de gaten houden. Tegelijk werd zijn perspectief aangenamer gemaakt door het groen. De Rue du Midi is immers de enige straat met bomen. Vanop hetzelfde kruispunt vertrekken de rechte straten met de uniforme, geel geverfde en goed onderhouden mijnwerkershuisjes. Ze dienen vandaag als sociale woningen en worden alle bewoond: 166 in totaal, gegroepeerd in twee rechthoekige en twe...

Op het kruispunt van de vier straten van de gele mijnwerkerscité van Bois du Luc ziet u meteen wat deze plek zo bijzonder maakt. Op het einde van de rue du Midi staat, bovenop een helling, de vroegere directeurswoning. Van hieruit kon de mijnverantwoordelijk de wijk in de gaten houden. Tegelijk werd zijn perspectief aangenamer gemaakt door het groen. De Rue du Midi is immers de enige straat met bomen. Vanop hetzelfde kruispunt vertrekken de rechte straten met de uniforme, geel geverfde en goed onderhouden mijnwerkershuisjes. Ze dienen vandaag als sociale woningen en worden alle bewoond: 166 in totaal, gegroepeerd in twee rechthoekige en twee trapeziumvormige blokken (bekend als de carrés). Die concentratie was handig wanneer de politie bij stakingsrellen de wijk wilde afsluiten. Eén huisje wordt bij de rondleiding aan de bezoekers getoond. Het interieur is onaangeroerd gebleven sinds 1920. Naar de normen van toen woonden de mijnwerkersgezinnen vrij comfortabel, zij het onder een bijna totale sociale controle. Iedereen kon in het tuintje van zijn buurman kijken. De bouw van de cité startte in 1838. Geheel volgens de principes van de 19de eeuw wilde de mijnmaatschappij een domein bouwen dat volledig op zichzelf kon bestaan. Het omvatte dus ook een jongens- en een meisjesschool, een ziekenhuis, een kerk, een maalderij-brouwerij, een postkantoor, een gastenverblijf, een apotheek, een park, een fanfare, een kruidenierszaak en een cinema- en feestzaal. Die zaal doet trouwens nog steeds dienst en is een juweeltje. Op die manier wilde de mijn de vrije tijd van het personeel controleren. De mijnwerkers werden aangemoedigd om een moestuintje aan te leggen of een sport te beoefenen: liever dat dan op café gaan. Als ze dan toch op cafébezoek gingen, moesten ze het bier van de mijnbrouwerij drinken. Dat bevatte minder alcohol. Ondanks al dit paternalisme was het niet altijd peis en vree in de cité. Na een staking in 1893 liet de directie een 'guillotinepoort' aan de ingang van het mijnterrein plaatsen . De ophangpoort tussen de ronde torens kon bij onrust meteen worden neergelaten. In 1973 sloot de laatste van de drie mijnputten die de maatschappij exploiteerde. Net als in het kasteel van Doornroosje lijkt de tijd toen te zijn stopgezet. Hieraan heeft Bois du Luc ongetwijfeld zijn goede bewaring te danken. Vandaag is het mijnterrein een ecomuseum geworden. Elke bezoeker - zelfs als het maar om één of twee mensen gaat - wordt op bepaalde uren persoonlijk rondgeleid. Gipsen personages roepen de werkzaamheden van toen op. De werkplaatsen en paardenstallen rond de binnenplaats tonen dat de mijn alles in huis had om zichzelf te beredderen. Elders op het domein wachten de gebouwen met de schachttoren van de mijnput Sint-Emmanuel. In de grote ruimtes is tussen de turbines, de liften en de elektriciteitscentrale een bezoekersparcours aangelegd dat het werk in de mijn en het dagelijkse bestaan tot leven brengt. We zien reuzenfoto's van een mijnwerkersploeg voor de afdaling - één van hen is nog maar een kind. We leren dat in 1922 een mijnwerker 608,60 frank per maand verdiende. En hoe een plaatje met zijn nummer in de lampenzaal het bewijs leverde dat hij niet van een shift was teruggekeerd. Ludo Hugaerts