Elke eigenaar van een onroerend goed mag een andere persoon het recht geven om (al of niet levenslang) in zijn goed te wonen. Het maakt daarbij geen verschil of de eigenaar een fysieke of rechtspersoon is, een OCMW,...
...

Elke eigenaar van een onroerend goed mag een andere persoon het recht geven om (al of niet levenslang) in zijn goed te wonen. Het maakt daarbij geen verschil of de eigenaar een fysieke of rechtspersoon is, een OCMW,... Het recht van bewoning is het recht om gebruik te maken van een woning, te vergelijken met het recht op vruchtgebruik, maar beperkter. Anders dan de vruchtgebruiker mag degene die het recht van bewoning heeft het huis immers niet onderverhuren aan vrienden of het voor een ander doel gebruiken dan als dak boven zijn hoofd en dat van zijn gezin. Hij mag het recht niet afstaan aan iemand anders. "Hij die het recht van bewoning in een huis heeft, mag daar met zijn gezin wonen, zelfs al was hij niet gehuwd toen dit recht hem werd verleend" (artikel 632, burgerlijk wetboek). Zoals wel meer formuleringen in het burgerlijk wetboek, is ook deze over het recht van bewoning voorbijgestreefd. Uit deze tekst blijkt immers dat het recht enkel voor gehuwden en alleenstaanden zou gelden, niet voor samenwonenden. Maar wat doet men dan met de artikelen 10 en 11 van de grondwet, waarin staat dat: "... alle Belgen gelijk zijn voor de wet. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd. (art. 10)." "Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden"(art. 11) Met andere woorden: is het mogelijk dat de eigenaar die het recht van bewoning aan iemand heeft verleend, aan de samenwonende partner van deze persoon het recht kan ontzeggen om daar te wonen? In een uitspraak van 24 maart 2004 heeft het Arbitragehof beslist dat: in de interpretatie dat het begrip 'gezin' wel betrekking heeft op de echtgeno(o)t(e) van degene die het recht van bewoning heeft, maar niet op zijn/haar ongehuwde partner, artikel 632 van het burgerlijk wetboek de artikelen 10 en 11 van de grondwet schendt. in de interpretatie dat het begrip 'gezin' ook betrekking heeft op de ongehuwde partner met wie degene die het recht van bewoning heeft een levensgemeenschap vormt, artikel 632 van het burgerlijk wetboek de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt. Hiermee interpreteert het Arbitragehof het begrip gezin in de brede zin, rekening houdend met de feitelijk samenwonenden die met meer dan twee kunnen zijn, van hetzelfde geslacht of niet. Deze interpretatie is gebaseerd op een ander artikel van de grondwet, dat zegt dat "iedereen recht heeft op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven" (art. 22). n A Claudine Lambermont, Jocelyne Minet