Elena spert haar ogen wijdopen en lacht schuchter. Met de tulband die om haar gitzwarte haren is gevlochten, ziet ze eruit als een prinsesje uit langvervlogen tijden. Haar huipile, een traditioneel kleedje dat geborduurd is in de kleuren van haar dorp, schittert in diverse schakeringen van azuur. De diepe kleuren verwijzen naar het water van het meer van Atitlan, de enorme watervlakte die het leven van deze streek beheerst en die omringd wordt door de vulkanen van Toliman, San Pedro en Atitlan.
...

Elena spert haar ogen wijdopen en lacht schuchter. Met de tulband die om haar gitzwarte haren is gevlochten, ziet ze eruit als een prinsesje uit langvervlogen tijden. Haar huipile, een traditioneel kleedje dat geborduurd is in de kleuren van haar dorp, schittert in diverse schakeringen van azuur. De diepe kleuren verwijzen naar het water van het meer van Atitlan, de enorme watervlakte die het leven van deze streek beheerst en die omringd wordt door de vulkanen van Toliman, San Pedro en Atitlan. Dankzij het warme onthaal dat Elena en haar jonge vriendjes mij geven, wordt het bezoek aan het Santa Catarina Palopo een heel aparte ervaring. De meeste Maya's zijn verlegen en gereserveerd, getekend als ze zijn door eeuwen van onderdrukking en angst. Ze hebben geleerd dat je maar beter op je hoede kunt zijn voor alles wat, of voor al wie hier vreemd is. Hier dragen de jongetjes nog de kilt van ruwe wol die zo typisch is voor de oude Maya's. Weefsters toveren de meest unieke stoffen te voorschijn, die ze dan voor een handvol dollars verkopen. Het grote dorp Panajachel is het traditionele trefpunt voor al wie het meer van Atitlan wil ontdekken. De talloze guesthouses en enkele wat comfortabelere hotels ontvangen probleemloos oude hippies, rugzakjongeren en groepen normale toeristen door elkaar. Door hun aanwezigheid krijgt Panajachel een bijzondere sfeer: enerzijds toeristisch, anderzijds authentiek dankzij de marktvrouwen die de bontste huipiles verkopen... Hoe gezellig het in Panajachel ook mag zijn, ik zoek liever rustige plekjes op en neem de kortademige, afgedankte Amerikaanse schoolbus die nu de bergdorpjes met elkaar verbindt. Ze zit vol indianen, kinderen en... kippen. Iedereen ondergaat de lange rit gelaten, een moeizame klim langs een spectaculaire bergroute naar Solola, een stadje dat uitkijkt over het meer. Het is marktdag en duizenden Maya's stromen toe om maïs en fruit te verkopen en proviand in te slaan. Fier showen de vrouwen hun mooiste kleren en zelfs de mannen hebben hun kleurrijkste hemden en broeken aangetrokken, geborduurd met motieven waaraan ze de leden van hun clan kunnen herkennen. Door de eeuwen heen - met hun bewogen geschiedenis - is dit sociale weefsel steeds overeind gebleven. Zelfs de conquistadores hebben er nooit vat op gekregen. Een andere route voert mij nog dieper de geheime Mayawereld in. Chichicastenango ligt in het hart van een ingesloten berggebied. Hier wonen Quiché-indianen, één van de 23 groepen die samen de Mayabevolking van Guatemala vormen. Dit land, geklemd tussen Mexico, de Stille Oceaan, de Caribische Zee en de ministaatjes van Centraal-Amerika, telt 14 miljoen inwoners, van wie 60% Maya's. In de streek van de hoogplateaus stijgt die verhouding tot 95%. Geen enkel Latijns-Amerikaans land kent nog een dergelijk hoog percentage. En de 23 Mayagroepen spreken nog allemaal hun eigen taal, al zijn ze inmiddels wel katholiek geworden. Katholiek? Daar valt in het kerkje van Chichicastenango alvast niet veel van te merken. Het lijkt volledig aan heidense riten gewijd... Een menigte verdringt zich op de treden van de kerk met haar verblindend witte muren. Bloemenverkoopsters lijken net geesten, in de walmen van copal, een soort wierook dat in de Mayaceremonies als offergave wordt gebruikt. Ik zal snel begrijpen waarom de sfeer hier allesbehalve christelijk is. Dat komt omdat de kerk van Santo Tomas op de ruïnes van een Mayatempel is gebouwd. De bevolking is nooit gestopt met de verering van haar goden, in een cultus waarin de symbolen en de praktijken van de twee godsdiensten door elkaar lopen. Even later leidt een Quichévrouw me langs een bergpad naar een piepkleine open plek. Een sjaman - chuchkajau, zeggen de Quiché - verbrandt copal terwijl hij mysterieuze toverformules prevelt. Op een kleine afstand staan twee jonge indianen, een man en een vrouw, geduldig te wachten, in de hoop dat hun wensen in vervulling zullen gaan. Iedereen die deze afgelegen plaatsen bezoekt, voelt spontaan aan dat deze trotse volkeren de erfgenamen zijn van een eeuwenoude beschaving. Toch vallen hier weinig tastbare resten van dat roemrijke verleden te bespeuren. Daarvoor moet je naar het noorden, naar de oerwouden van Peten. Deze streek is de tropische groene long van Guatemala en het laatste ongerepte gebied, dat kleiner wordt naarmate de bevolking nieuwe landbouwgrond ontgint. Maar voorlopig is Peten nog het koninkrijk van de jaguars, de tapirs en de exotische vogels. In het diepste van het oerwoud verrijzen de machtigste monumenten van Centraal-Amerika. Vanop de top van de piramide van de mundo perdido (de verloren wereld), kan ik perfect de grote piramides van Tikal bewonderen. Tempel V rijst hoog boven de bomen uit, tot 57 meter hoog. Deze archeologische site was van 250 tot 900 na Christus een machtige stad van krijgers, maar beetje bij beetje werd ze ingepalmd door de jungle. In Tikal wacht me nog een verrassing wanneer bijna 150 Maya's - mannen, vrouwen en kinderen - in stilte een cirkel vormen tussen de twee prachtige piramiden van wat ooit het hoofdplein van de stad was. Ze steken kaarsen aan en zeggen een christelijk gebed op. Daarna leiden de sjamanen een plechtigheid die uit het diepste verleden stamt. Bollen talkvet worden als offer verbrand terwijl bezwerende gebeden worden gepreveld. De indianen die hier op bedevaart komen zijn Maya Kekchi, de afstammelingen van de piramidebouwers. Ze vereren hun goden en tonen hun verbondenheid met de voorouders. Tikal blijkt zoveel meer te zijn dan een archeologische site. Het is de ontmoetingsplaats voor de Maya's van toen met die van nu. Een nachtbus brengt mij terug naar het meer van Atitlan. Pasen is in aantocht en heel het land staat in rep en roer. De koloniale stad Antigua, die op de lijst van Unesco's Wereldpatrimonium staat, is een verrukkelijke plek om de plechtigheden van de heilige week mee te maken. In de straatjes met paleizen, kloosters, woningen met kleurige gevels en barokke kerken, leggen de mensen tapijten van zaagsel. Straks zullen ze vertrapt worden door de duizenden deelnemers aan de processies die het lijden van Christus vertolken. Tijdens deze feestweek neemt iedereen zijn rol ernstig. Feestelijk uitgedost, is Antigua - in de schaduw van de vulkanen met hun perfecte kegelflanken - ongetwijfeld de meest fascinerende koloniale stad van de Nieuwe Wereld... n Tekst en foto's: Paul Lorsignol