Een onderhoudsuitkering is fiscaal aftrekbaar als:
...

Een onderhoudsuitkering is fiscaal aftrekbaar als: 1. ze betaald wordt aan een persoon die geen deel uitmaakt van het gezin van diegene die de uitkering betaalt 2. de betaling 'regelmatig' is 3. ze betaald wordt op grond van een wettelijke verplichting opgelegd door het Burgerlijk Wetboek of het Gerechtelijk Wetboek. Veronderstellen we dat de overleden ouder geen deel uitmaakte van het gezin van diegene die betaalt. Dan is alvast aan de eerste voorwaarde voldaan. Op de tweede voorwaarde maakt de administratie een uitzondering voor ten laste genomen kosten die uit hun aard geen periodiek karakter hebben. Dus ook dat is geen probleem. Het is echter de derde voorwaarde waar de administratie over struikelt. Zij stelt dat krachtens artikel 205 BW de kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders die behoeftig zijn, maar zij ziet niet in hoe het ten laste nemen van de begrafeniskosten de behoeftigheid van de ouders kan milderen. Bijgevolg maakt het ten laste nemen van begrafeniskosten geen deel uit van de onderhoudsverplichting en is er dus geen fiscale aftrek. Deze stelling ligt van langsom meer onder vuur. Zo stelt het Gentse hof van beroep dat, hoewel de steunplicht voorzien in artikel 205 BW beperkt is tot de betalingen die noodzakelijk zijn om aan de onderhoudsgerechtigde een menswaardig bestaan te geven, volgens vaste rechtspraak de begrafeniskosten subsidiair deel uitmaken van de onderhoudsplicht, en dat de steunplicht op dit onderdeel bij uitzondering geen einde neemt bij het overlijden van de ouders. Bovendien beschikt de begrafenisondernemer volgens even vaststaande rechtspraak op grond van artikel 205 BW over een vordering tegen de kinderen van de overledene, zelfs wanneer de nalatenschap wordt verworpen. Hieruit leidt het Gentse hof af dat de betaling van de begrafeniskosten wordt gedaan in het kader van de onderhoudsplicht van artikel 205 BW, en dat dus voldaan is aan de voorwaarden voor fiscale aftrek ( Gent, 14.03.2007). In een recente circulaire maakt de administratie een bocht. De circulaire vangt aan met te stellen dat de administratie in principe 'tegen' is, maar dat ' wanneer evenwel een Hof of Rechtbank in een specifiek geval beslist dat een persoon begrafeniskosten dient te betalen, in uitvoering van zijn onderhoudsplicht,[... ] een juridisch feit [wordt] gecreëerd dat zich opdringt aan de administratie. In dat geval schikt de administratie zich dus naar de wijsheid van dat hof', en dat ze in dat geval de aftrek zal aanvaarden. Zoals de administratie het formuleert, lijkt het dat zij enkel wil buigen wanneer een rechter beslist heeft dat iemand begrafeniskosten moet betalen. Maar zoals het Gents hof van beroep stelt, maken ' volgens vaste rechtspraak de begrafeniskosten subsidiair deel uit van de onderhoudsplicht voorzien in artikel 205 BW'. De aftrek enkel toestaan wanneer er een gerechtelijke uitspraak is lijkt ons daarom op termijn niet houdbaar. Bron: Circulaire nr. Ci. RH. 331/599.304 van 23 maart 2011Katrien Vandam