Een mens stapelt in de loop van een dag een overdosis aan spanning op. Je bent nauwelijks op of je kunt je autosleutels niet vinden. Dan de ochtendlijke file, het dagelijkse programma op Klara waar je het kopje goed bij moet houden, en als je dan achteraf nog ergens anders moet zijn en je wordt opgehouden door een vrachtwagen-die-zijn-lading-heeft-verloren, dan is het helemaal compleet. Al die stress moet uit je knoken en iedereen doet dat op een andere manier. Bij mij is dat met een bosloopje van een kilometer of zes. ...

Een mens stapelt in de loop van een dag een overdosis aan spanning op. Je bent nauwelijks op of je kunt je autosleutels niet vinden. Dan de ochtendlijke file, het dagelijkse programma op Klara waar je het kopje goed bij moet houden, en als je dan achteraf nog ergens anders moet zijn en je wordt opgehouden door een vrachtwagen-die-zijn-lading-heeft-verloren, dan is het helemaal compleet. Al die stress moet uit je knoken en iedereen doet dat op een andere manier. Bij mij is dat met een bosloopje van een kilometer of zes. Ik hoor dikwijls van mensen dat ze het erg moedig vinden om zo veel te joggen, maar ik vind er absoluut niets moedigs aan. Het enige vervelende moment is je trainingspak aantrekken, maar vanaf dan is het genieten in verschillende vormen. Het stadium van het bijna nirvana waarin sommigen jogginggewijs terechtkomen, heb ik nooit weten te bereiken, maar mijn plezier is zalig genoeg. Wat een genot om in je laatste kilometer met de tong op je veters, hijgend en stervend, de eindmeet te zien liggen en te weten dat over enkele minuten het uitblazen kan beginnen, het terug tot een normale hartslag komen, het zweet afvegen met een droge handdoek, een slokje water drinken, over de vijvers uitkijken naar een reiger. De laatste meters pleeg ik af te leggen op het ritme van muziek: terwijl ik My Funny Valentine, versie Chet Baker neurie als het echt zwaar is geweest, of het vinnige eerste deel van de 1e Symfonie van Carl Nielsen als ik in bloedvorm zit. Het is helaas meestal Chet Baker. Dat is het eindstadium. Fase 3. Daarvoor, nogal logisch, fase 2. Dan zit je nog niet op je tandvlees en kun je gulzig van de natuur genieten. De kleuren van bomen en bladeren, de warme geur van dennen, de eerste voetsporen die je achterlaat in de verse sneeuw. En de dieren... Ach, het zijn geen zeldzame soorten, maar ik ervaar het als pure sensatie als ik plots oog in oog sta met de opgeschrokken blik van een ree die even van achter een boom komt gluren om te zien of ik het ben. Of wanneer ik een konijn voorbijloop dat gezellig aan het gras zit te sabbelen. Het geluid van de vogels die elkaar toeroepen dat hij weer daar is! Belangrijk is dat je een moment van de dag uitkiest waarop je minimaal gestoord wordt door wandelaars die een babbeltje willen slaan of razende mountainbikers. Rest: fase 1. Dan ben je nog voor de volle 100 % fit en heb je het werk nog niet helemaal van je afgeschud. Ook hier een zeker ritueel: bij het vertrek geef ik mezelf altijd een opdracht mee. Ik probeer de tekst van een gedicht of een lied te reconstrueren of denk na over hoe ik het interview van de volgende dag ga aanpakken. Laatst gaf ik mezelf als taak: bedenk een onderwerp voor je volgende column. nA Fred Brouwers