Het is rond drieën, op 27 mei 1653, als in de omgeving van de Sint-Brixiuskerk in Doornik, in de kelder van de pastorie die wordt verbouwd, een houweel in de grond weerklinkt. De arbeider die het werktuig bedient, de doofstomme Adrien Quinquin, is er zich in de verste verte niet van bewust dat hij op het punt staat één van de grootste Merovingische schatten bloot te leggen, waar 350 jaar later nog altijd over gepraat wordt.
...