Vroeger was cholesterol dé grote boosdoener. Nu beschouwen specialisten de cholesterolwaarde in het bloed als één van de factoren die een rol spelen bij de inschatting van het risico op hart- en vaatziekten, maar zijn ze ervan overtuigd dat alle risicofactoren steeds samen moeten worden beoordeeld. Welke zijn dan die overige risicofactoren? Een ongezonde voeding met te veel cholesterol en verzadigde vetten, een gebrek aan lichaamsbeweging, roken, een verhoogde bloeddruk, overgewicht, suikerziekte en een familiale voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten.
...

Vroeger was cholesterol dé grote boosdoener. Nu beschouwen specialisten de cholesterolwaarde in het bloed als één van de factoren die een rol spelen bij de inschatting van het risico op hart- en vaatziekten, maar zijn ze ervan overtuigd dat alle risicofactoren steeds samen moeten worden beoordeeld. Welke zijn dan die overige risicofactoren? Een ongezonde voeding met te veel cholesterol en verzadigde vetten, een gebrek aan lichaamsbeweging, roken, een verhoogde bloeddruk, overgewicht, suikerziekte en een familiale voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten. Hart- en vaatziekten zijn op dit ogenblik de voornaamste doodsoorzaak, belangrijker dan alle vormen van kanker samen. Vroeger werden hart- en vaatziekten vooral beschouwd als een typische mannenkwaal. Helaas hebben de vrouwen een niet al te gunstige inhaalbeweging ingezet en wordt het verschil tussen beide geslachten steeds kleiner. Daarvoor bestaan er verschillende verklaringen. Bij vrouwen treden hart- en vaatziekten over het algemeen op latere leeftijd op dan bij mannen en door de langere levensduur neemt de kans op deze aandoeningen bijgevolg toe. Bovendien hebben vrouwen zich de voorbije decennia op beroepsvlak steeds meer doen gelden. Ze oefenen veel vaker functies uit met een grote verantwoordelijkheid en bijgevolg ook met meer stress. En ten derde zijn vrouwen meer en meer gaan roken en beginnen meisjes daar steeds vroeger mee. Laten we terugkeren naar ons eigenlijke onderwerp: de cholesterol. Waar hebben we het dan eigenlijk over? Cholesterol is een vetachtige stof, die niet oplosbaar is in water en die ons lichaam gebruikt als bouwstof. Cholesterol maakt onder meer deel uit van de wand van alle cellen waaruit ons lichaam is opgebouwd en speelt een rol bij de vorming van bepaalde hormonen en van galzuren. Vermits deze stof niet oplosbaar is in water, kan ze ook niet als dusdanig in het bloed voorkomen. Ons lichaam verpakt cholesterol en een andere belangrijke vetachtige stof, de triglyceriden, in speciale transportdeeltjes die lipoproteïnen worden genoemd. Cholesterol is steeds dezelfde stof, of we het nu over 'goede' of 'slechte' cholesterol hebben. Het is het soort transportdeeltjes dat voor dit onderscheid zorgt. De lipoproteïnen worden ingedeeld op basis van hun gewicht of dichtheid. De twee meest bekende zijn: LDL of Low Density Lipoproteïnen: de transportdeeltjes die cholesterol van de lever naar de organen brengen en zowat 75 % van de totale cholesterol in het bloed bevatten. Wordt er te veel cholesterol naar de organen gebracht, dan kan deze ophopen in de bloedvaten, vandaar dat dit ook de 'slechte' cholesterol wordt genoemd. HDL of High Density Lipoproteïnen: de transportdeeltjes die de vetstof verwijderen uit de organen naar de lever en daarom de 'goede' cholesterol worden genoemd. De cholesterol in de HDL vormt ongeveer 20 % van de totale cholesterol. Ruim drievierde van de cholesterol maakt ons lichaam zelf aan, vooral in de lever. De rest halen we uit onze voeding. Daarom heeft de cholesterol in de voeding slechts een beperkte invloed op het cholesterolgehalte in het bloed. De lever regelt de cholesterolstofwisseling. Dat is een ingewikkeld proces omdat er steeds gestreefd wordt naar het behoud van allerlei evenwichten. Zo moet de samenstelling van de lipoproteïnen, die naast cholesterol ook triglyceriden vervoeren, constant zijn. Dus wordt voor een bepaalde hoeveelheid triglyceriden een vaste hoeveelheid cholesterol aan de lipoproteïnen toegevoegd. Worden er via een vette voeding veel triglyceriden aangevoerd, dan gaat de lever dus ook meer cholesterol aanmaken en stijgt het cholesterolgehalte in het bloed. Bovendien wordt de hoeveelheid cholesterol die de lever in de lipoproteïnen verpakt ook nog bepaald door de soort triglyceriden: hoe meer verzadigd ze zijn, des te meer cholesterol de lever erbij stopt. Vandaar dus de waarschuwing om vooral de verzadigde vetten in de voeding te vermijden! Een te hoog cholesterolgehalte in het bloed is niet zonder risico's. Bij een te hoog LDL-cholesterolgehalte ontstaat er in de binnenwand van de bloedvaten een ophoping van 'slechte' cholesterol en slibben de bloedvaten dicht. De vetachtige massa die zich ophoopt, gaat verkalken waardoor men spreekt van aderverkalking of atherosclerose. HDL-deeltjes kunnen aderverkalking terugdringen omdat zij de eigenschap hebben cholesterol op te nemen en terug te voeren naar de lever. Indien een bloedvat door atherosclerose te sterk vernauwt, krijgen de weefsels die door dit bloedvat van bloed voorzien worden te weinig zuurstof. Atherosclerose op zich voel je niet, wel de gevolgen ervan. Slibben de bloedvaten naar de benen dicht, dan ontstaan bij het stappen krampen in de benen, vooral in de kuiten, en spreekt men van etalagebenen of claudicatio. Vindt de vernauwing plaats in de bloedvaten die het hart van zuurstofrijk bloed voorzien (de kransslagaders), dan ontstaat bij een inspanning een drukkende pijn in de borstkas en heeft men angor pectoris. Houdt die zuurstofnood langere tijd aan, dan doet er zich een hartinfarct voor. En treft de atherosclerose vooral de bloedvaten naar de hersenen, dan komen deze zuurstof te kort en kan een beroerte of cerebrovasculair accident (CVA) optreden. Een verhoogd cholesterolgehalte kan het gevolg zijn van een erfelijke stoornis. Vanzelfsprekend speelt ook de voeding een belangrijke rol. Wie veel voeding eet die rijk is aan verzadigde vetten en cholesterol, zal een te hoge cholesterolconcentratie in het bloed ontwikkelen. Roken zorgt voor een sterke verlaging van het HDL-cholesterolgehalte. Bijgevolg wordt de beschermende werking van deze 'goede' cholesterol tegen aderverkalking verminderd. Bepaalde aandoeningen zoals suikerziekte of een traagwerkende schildklier kunnen de stofwisseling van vetten en cholesterol grondig verstoren en zo een te hoog cholesterolgehalte uitlokken. De inname van bepaalde geneesmiddelen (oestrogenen, diuretica,...) kan een invloed hebben op het cholesterolgehalte. Om de hoeveelheid cholesterol in het bloed te meten zal de arts een bloedafname doen. Die gebeurt bij voorkeur in een periode waarin u uw normale voedingsgewoonten hebt aangehouden en uw gewicht stabiel is. Een meting laten uitvoeren net na de feestdagen is dus geen goed idee. Om de totale cholesterol, de LDL-cholesterol en de HDL-cholesterol in het bloed te bepalen, hoeft u niet noodzakelijk nuchter te zijn voor de bloedafname. Indien de arts echter ook de triglyceriden in het bloed wil laten meten, mag u 12 uur voor de bloedafname niet eten of drinken. Omdat er heel wat factoren zijn die het cholesterolgehalte tijdelijk kunnen beïnvloeden, zal een arts nooit de diagnose van een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed stellen op basis van één meting. Na 8 tot 12 weken zal een tweede meting gebeuren. Pas wanneer deze de verhoogde cholesterolwaarden bevestigt, zal een behandeling zich opdringen. Bij een persoon die gezond leeft en een zeer laag globaal risico heeft, volstaat een controle om de vijf jaar bij mannen vanaf 35 jaar en bij vrouwen vanaf 45 jaar. Zoals eerder gezegd zijn alle specialisten er tegenwoordig van overtuigd dat het geen zin heeft de cholesterolwaarden afzonderlijk te bekijken, maar dat men het totale plaatje van de risicofactoren moet beoordelen. Algemeen stelt de Belgian Lipid Club (zie kader p. 45) dat de totale cholesterol lager moet zijn dan 190 mg/dl en de LDL-cholesterol lager dan 115 mg/dl. Maar voor iemand met een hoog globaal risico zijn deze normale waarden nog te hoog. Daarom wordt bijvoorbeeld voor diabetespatiënten, mensen met een hoge bloeddruk en mensen die reeds een hart- en vaatziekte hebben de grens vastgelegd op een totale cholesterolwaarde die beneden de 175 mg/dl moet zijn en LDL beneden de 100 mg/dl. Voor het overige moet bij iedereen het totaalrisico bepaald worden. Bedraagt dit meer dan 5 %, dan streeft men eveneens naar een totale cholesterolwaarde beneden de 175 mg/dl en een LDL-waarde kleiner dan 100 mg/dl. Voor de HDL- en de triglyceridenwaarden gaat men ervan uit dat het risico toeneemt indien de HDL-waarde bij mannen beneden 40 mg/dl ligt of bij vrouwen beneden de 46 mg/dl of wanneer de triglyceridenwaarden hoger is dan 150 mg/dl. Een gezonde levenswijze is en blijft de hoeksteen van de preventie van hart- en vaatziekten. Maar gezonde voeding en lichaamsbeweging hebben ook een recht-streekse invloed op het cholesterolgehalte en zullen dus steeds de eerste aanbevelingen zijn die een arts geeft. Van lichaamsbeweging is duidelijk aangetoond dat het het HDL-gehalte (de goede cholesterol) kan doen stijgen. De aanbeveling hierbij luidt: 30 tot 45 minuten fysieke inspanning, minstens drie-maal per week, waarbij gestreefd wordt naar een hartritme dat rond de 60 tot 75 % van het maximale hartritme ligt. Een eenvoudige regel om dit te berekenen: het hartritme mag tijdens de inspanning niet boven de (180 - de leeftijd) slagen/minuut gaan. Aanbevolen lichaams- beweging is bijvoorbeeld een stevige wandeling, zwemmen, fietsen of joggen. Vanzelfsprekend gelden steeds de principes van de gezonde voeding. Het behoud of het bereiken van een correct lichaamsgewicht door het beperken van de calorieaanvoer is essentieel. Voorts zal specifiek voedingsadvies er vooral op gericht zijn de hoeveelheid vet in de voeding, vooral cholesterol en verzadigde vetten, te beperken. Vetten mogen maximaal 30 tot 35 % van de totale hoeveelheid calorieën vormen met maximaal 10 % verzadigde vetten, 3 tot 7 % meervoudig (of poly)onverzadigde vetten, 10 tot 15 % enkelvoudig (of mono)onverzadigde vetten en niet meer dan 300 mg cholesterol per dag. Geef de voorkeur aan onverzadigde vetten, meestal van plantaardige oorsprong en vloeibaar bij kamertemperatuur. Goede bronnen zijn: olijfolie, raapzaadolie, arachideolie, zonnebloemolie, maïsolie... Vezels beperken de opname van vetten in de darm. Bovendien bevatten vezelrijke voedingsproducten over het algemeen weinig vetten. Vervang volle zuivelproducten (melk, kaas,...) door magere producten. Gebruik voor de bereiding van een warme maaltijd geen boter, kokosvet, palmolie, palmpitolie, vaste plantaardige margarines en braadvet. Geef de voorkeur aan kooktechnieken waarbij u weinig of geen vet nodig heeft zoals stomen, grillen, pocheren of bereiding in de microgolfoven. Gebruik om soep te maken steeds magere bouillon en ontvette bouillonblokjes. Vermijd roomsoepen en soep uit blik. Beperk u bij uw hoofdmaaltijd tot 100 gram mager vlees. Als richtlijn kan men stellen dat alles wat rent (wild) of vliegt beter is dan wat ligt of staat (varken, koe,...). Vervang vlees liefst tweemaal per week door vis. Ook vette vis zoals haring, makreel, paling, sardienen, forel, zalm,... is perfect. Deze vis is rijk aan omega-3-vetzuren die een positieve invloed hebben op het voorkomen van hart- en vaatziekten. Let erop dat u ook de verborgen vetten in koekjes, taartjes, ijs en zo verder, zoveel mogelijk beperkt. Beperk cholesterolrijke voedingsmiddelen zoals orgaanvlees, eieren, kaviaar,... De cholesterol in mosselen en oesters is niet helemaal dezelfde als deze in bijv. eieren en is minder schadelijk. Bovendien worden deze producten in principe nooit meerdere keren per week op het menu gezet zodat de hoeveelheid die we binnenkrijgen sowieso kleiner is. Light producten bevatten minder calorieën. Maar dit betekent niet noodzakelijk dat ze vetarm zijn. nA Leen Baekelandt