Klak, klak. Klak, klak. Zacht tikken de barnstenen bolletjes tegen elkaar telkens de visser de komboloi door zijn vingers laat glijden. Met het snoer van kleurrijke bolletjes verdrijft hij de tijd, terwijl de late middagzon zich traag achter de bergen terugtrekt. Alle mannen op het terras van de taverna spelen met zo'n kombolói. Dat Náfplio als enige stad ter wereld over een museum beschikt dat volledig gewijd is aan deze wereldse paternoster is geen toeval.
...

Klak, klak. Klak, klak. Zacht tikken de barnstenen bolletjes tegen elkaar telkens de visser de komboloi door zijn vingers laat glijden. Met het snoer van kleurrijke bolletjes verdrijft hij de tijd, terwijl de late middagzon zich traag achter de bergen terugtrekt. Alle mannen op het terras van de taverna spelen met zo'n kombolói. Dat Náfplio als enige stad ter wereld over een museum beschikt dat volledig gewijd is aan deze wereldse paternoster is geen toeval. Het is een mooie dag geweest vandaag. In de vroege ochtend heb ik de bijna negenhonderd trappen beklommen naar het fort van Palamídi, dat is genoemd naar de uitvinder van de dobbelstenen en de vuurtorens. Vanop de rots kreeg ik een prachtig uitzicht cadeau: over de baai, het eiland met een Turks fort, de zee, de bergen. Over de Venetiaanse stadskern, waar je dagenlang kunt rondslenteren, eethuisjes ontdekken en genieten van de vólta, de parade van wandelaars in de luwte van de avond. En over de gezellige drukte in de Bouboulínaslaan, dé ontmoetingsplaats voor al wie trendy wil zijn. Met haar witgekalkte huizen, kerken, musea, fonteinen, marmertegels, steegjes en een oceaan aan dakpannen is Náfplio veruit de mooiste van alle Griekse steden. Bij de onafhankelijkheid in 1829 was ze vijf jaar lang de hoofdstad van het land. Sindsdien is ze weggedommeld in de sfeer van een gemoedelijke provinciestad maar op de middeleeuwse pleinen vind je nog altijd de beste restaurants. Hier kun je zowel chic en uitgebreid, als eenvoudig eten. Want onder de mediterrane zon is niets lekkerder dan een simpel Grieks slaatje met stokbrood en een glas retsina! De Peloponnesos is enkel gescheiden van het Griekse vasteland door het Kanaal van Korinthe. Deze bergachtige en bosrijke streek is totaal anders dan het toeristische Griekenland met zijn eilanden, witte huisjes en stranden. Dit is een land bezaaid met ruïnes die eeuwenoude, fascinerende verhalen vertellen. In Mycene liggen de stadsfunderingen verloren in het landschap: de dikke muren, de beroemde leeuwenpoort, de grafcirkels. Hier speelden zich de gruwelijkste verhalen uit de antieke geschiedenis af. Ik sta tussen de resten van het koninklijk paleis, in wat ooit een badkamer is geweest van koning Agamemnon, de veroveraar van Troje die door zijn vrouw Klytaemnestra werd vermoord. Ik zie het haast voor mijn ogen gebeuren. En ik voel ook de woede van haar kinderen Orestes en Elektra, die - als wraak - hun moeder én haar minnaar doodden. De mythe woont nog altijd in iedere steen. Wie de verzen van Aeschylos, Sophocles en Euripides in al hun dramatiek wil voelen, kan verder reizen naar het theater van Epidauros, een van de indrukwekkendste bouwwerken aan de Middellandse Zee. Op de bovenste zitbank luister ik naar de perfecte akoestiek van dit amfitheater in witte en roze kalksteen. Toeristen declameren verzen, zingen een lied of spelen toneel, zoals dat vijf eeuwen voor het begin van onze tijdrekening al gebeurde. In Nemea, waar Hercules met het doden van de onkwetsbaar gewaande leeuw de eerste van 12 opdrachten volbracht, is het landschap bezaaid met wijndomeinen. Hier gedijt vooral de aghiorghitikodruif. In het familiehuis Papaioannou proef ik uitstekende wijnen. Op dit ogenblik zijn ze nog onbekend, maar het lijdt geen twijfel dat ze binnen afzienbare tijd als grand cru's onze tafels zullen sieren. Hier is Dionysos, de god van de wijn, de vruchtbaarheid en het leven overal aanwezig. Ook in het binnenland dat bekend staat als Arkadía, gestileerd met boomgaarden, cipressen, paarsbloeiende moerbeibomen en middeleeuwse dorpen, is de ontdekkingstocht nooit voorbij. De ruïne van Olympia ademt de sfeer van de drieduizend jaar oude Spelen. Ik verlaat Náfplio en kies voor een verblijf in Liméni aan de zuidkust, met bungalows die tegen de steile kust kleven. Van hieruit kan ik de landtongen van de Peloponnesos perfect verkennen. Van de militaristische stadstaat Spárta is nauwelijks nog iets te zien, maar enkele kilometers verder ontdek ik het indrukwekkende Mystrás, dat twee eeuwenlang het politiek-religieuze centrum van de Byzantijnse wereld was. Tussen bomen en tuinen loop ik door een doolhof van kronkelstraatjes en huizen, poorten en kerken met fresco's. Het paleis van de despoten en de kathedraal waarin ooit de laatste Byzantijnse keizer werd gekroond, zijn ronduit indrukwekkend. Diezelfde overweldiging overvalt me als langs de kust plots een rots opdoemt. Een kilometerlange dijk leidt naar Monemvasiá, een versterkte stad op een eiland waar de Byzantijnen zevenhonderd jaar lang handel dreven. Een smalle toegangspoort leidt naar een wirwar van straatjes en pleinen. De hoofdstraat met haar souvenirwinkeltjes en te veel restaurants heeft haar authenticiteit verloren, dat is duidelijk. Maar mijn verbazing is groot wanneer ik tegen de rotsflank naar de top klim. Hier staat, godverlaten tussen de bloemen en de ruïnes, een kerk. Beneden zie ik hoe Monemvasiá tegen de rotsen kleeft. De zoveelste magische plek in een historische miniwereld. Om de magie nog even vast te kunnen houden, zoek ik een eethuisje op en bestel piperies ma tiri, met kaas gevulde pepers. Voor de laatste uitstap trek ik door de Máni, de middelste van de drie landtongen die samen de Peloponnesos vormen. De rit leidt door een ruig en kaal landschap. In de dorpen getuigen vierkante woontorens van de feodale tijd na de vijftiende eeuw, toen clans en families elkaar naar het leven stonden. Ze vochten voor het vruchtbaarste land. Erecodes, belegeringen, vechtpartijen en doodslag tekenden de streek en de mensen. Dat gewelddadige verleden heeft plaatsgemaakt voor een unieke architectuur, zowel in Kítta met meer dan twintig torens als op de rots van Váthia en in het afgelegen Flomohóri. Diep in het land neem ik de afslag naar Kaap Mátapan, waar een voetpad naar een merkwaardige tempel voor Poseidon leidt. Ergens in deze grot moet zich een toegang tot de onderwereld bevinden. Even later, wanneer het einde van het wegeltje in zicht komt, waar de vuurtoren in de blauwe hemel lijkt op te gaan, besef ik dat ik deze toegang nooit zal vinden. Verder zoeken kan echt niet. De kaap is de meest zuidelijke punt van het Griekse en Europese vasteland. Voor me: de eindeloze zee. Achter me: al de stille getuigen van het antieke en Byzantijnse verleden die de lessen geschiedenis en Griekse mythologie tot leven wekken. Een fascinerende wereld vol verrassingen en emoties. nTekst en foto's: Mark Gielen