Het is geen geheim. Wie met pensioen gaat zal het met heel wat minder moeten stellen dan tijdens zijn actieve carrière. Voor loontrekkenden wordt het bedrag berekend op basis van alle gewerkte jaren, waarbij voor elk jaar een maximumgrens wordt vastgelegd. Gemiddeld bedraagt het pensioen van een loontrekkende ongeveer 50 % van zijn laatste wedde. Het absolute maximumbedrag (voor een loontrekkende) is ongeveer a 1500 bruto per maand. Voor zelfstandigen ligt dat bedrag heel wat lager maar ambtenaren zijn er het best aan toe: zij ontvangen een maximumpensioen dat gelijk is aan 75 % van hun laatste wedde.
...

Het is geen geheim. Wie met pensioen gaat zal het met heel wat minder moeten stellen dan tijdens zijn actieve carrière. Voor loontrekkenden wordt het bedrag berekend op basis van alle gewerkte jaren, waarbij voor elk jaar een maximumgrens wordt vastgelegd. Gemiddeld bedraagt het pensioen van een loontrekkende ongeveer 50 % van zijn laatste wedde. Het absolute maximumbedrag (voor een loontrekkende) is ongeveer a 1500 bruto per maand. Voor zelfstandigen ligt dat bedrag heel wat lager maar ambtenaren zijn er het best aan toe: zij ontvangen een maximumpensioen dat gelijk is aan 75 % van hun laatste wedde. Dit alles geldt voor het wettelijk pensioen. Gelukkig kunt u daarnaast zelf (of via uw werkgever) voor een extra pensioen zorgen. Het Belgische pensioenstelsel is inderdaad gebaseerd op drie zogenaamde pijlers: n het wettelijk pensioen (de eerste pijler, dit is het pensioen waarop iedereen recht heeft) n het aanvullend pensioen via het bedrijf waar u tewerkgesteld bent (tweede pijler) n private spaarinspanningen die door de overheid fiscaal gestimuleerd worden (de derde pijler). In dit dossier bekijken we de pijlers die een aanvulling vormen van het wettelijk pensioen: de tweede en de derde pijler . En we gaan na hoe u kunt combineren. Een werkgever die via de tweede pijler een aanvullend pensioenplan aan zijn personeel wil aanbieden, kan dit door middel van een groepsverzekering en/of een individuele pensioentoezegging. Bij een groepsverzekering zorgt de werkgever voor een bijkomend collectief pensioen voor alle personeelsleden die behoren tot een welbepaalde categorie. Naast een groepsverzekering kan een werkgever echter voor bepaalde personen een extra pensioeninspanning willen doen. Dat kan gebeuren via een zogenaamde individuele pensioentoezegging. Op deze laatste vorm van extralegaal pensioen gaan we hier niet dieper in omdat de premies die de werkgever voor zo'n toezegging kan storten fiscaal beperkt zijn. Een bijzondere vorm van groepsverzekeringen zijn de zogenaamde cafetariaplannen, waarbij u als werknemer vrij kunt kiezen voor welke voordelen u zich wilt laten verzekeren binnen een bepaald budget. In de praktijk kennen deze cafetariaplannen slechts een gering succes. In de meeste groepsverzekeringen heeft de werknemer geen keuze tussen de verzekerde voordelen. Hoewel veel werknemers al jaren een groepsverzekering via hun werkgever hebben, stellen we vaak vast dat ze niet precies weten wat ze precies inhoudt. In wat volgt bekijken we de groepsverzekering praktisch, startend vanuit 10 veelgestelde vragen. Een groepsverzekering is in hoofdzaak bedoeld om de werknemer een extra kapitaal te bezorgen op het ogenblik van de pensioenleeftijd. Daarnaast kan er ook in een overlijdenskapitaal worden voorzien. Naast een pensioen- en/of overlijdenskapitaal kan er nog in andere, 'aanvullende' dekkingen worden voorzien, zoals bijvoorbeeld een dekking bij arbeidsongeschiktheid door ziekte of ongeval en een hospitalisatieverzekering. Heel belangrijk bij een groepsverzekering is het zogenaamde pensioen- of groepsreglement. Er is weliswaar een wettelijk kader dat bepaalt wat kan en niet kan bij een groepsverzekering, maar de gedetailleerde uitwerking vindt u terug in het pensioenreglement. In de praktijk is het de verzekeraar die samen met de werkgever dit reglement 'invult'. De premies van een groepsverzekering worden betaald door de werkgever-vennootschap en vormen voor de werkgever binnen bepaalde grenzen een fiscaal aftrekbare kost. De werknemer van zijn kant kan ook premies betalen voor zijn groepsverzekering. Dit is geen verplichting en het is enkel mogelijk als het groepsreglement in deze mogelijkheid voorziet. Betaalt u als werknemer premies voor een groepsverzekering, dan krijgt u een belastingvoordeel van û afhankelijk van uw inkomen û 30 tot 40 % van de gestorte premies. De wijze waarop de premies worden belegd, vindt u terug in het groepsreglement. Toch zijn er wettelijke regels. Zo moeten de door de werkgever gestorte premies minstens een opbrengst hebben van 3,25 % per jaar. Voor de premies die de werknemer betaalt in het kader van een groepsverzekering, geldt een minimumrendement van 3,75 % per jaar. Deze rendementen moeten gewaarborgd zijn op het ogenblik van de einddatum van de groepsverzekering. De werkgever moet ervoor zorgen dat de opbrengsten van 3,25 % en 3,75 % worden behaald. In de praktijk laten de meeste werkgevers dit (rendements)risico over aan externe verzekeringsondernemingen of pensioenfondsen. Bent u al in dienst op het ogenblik dat uw werkgever een groepsverzekering voor zijn werknemers afsluit, dan kunt u weigeren toe te treden. Treedt u echter in dienst van een werkgever die al een groepsverzekering heeft afgesloten, dan hebt u geen keuze. U moet dan aansluiten bij deze groepsverzekering. Alle werknemers die behoren tot éénzelfde categorie van aangesloten werknemers moeten dezelfde voordelen krijgen. Onder 'categorie' verstaat men een bepaalde groep van werknemers die allemaal behoren tot dezelfde groep - bijvoorbeeld alle bedienden, alle arbeiders, alle kaderleden, alle directieleden,.... Er mag dus geen onderscheid worden gemaakt, ook niet tussen mannen en vrouwen of tussen deeltijdse en voltijdse personeelsleden (die behoren tot eenzelfde categorie). In principe is de werkgever niet langer verplicht om de premies te betalen vanaf het ogenblik dat de periode van gewaarborgd loon is verstreken (voor een bediende moet de werkgever gedurende een maand het loon van een werknemer blijven betalen als die lange tijd ziek is, voor een arbeider gedurende 7 dagen). De werkgever kan nochtans in het groepsreglement bepalen dat de premies ook bij een langere arbeidsongeschiktheid van de werknemer zullen worden betaald. U wordt ontslagen. Weet dan dat er bij het berekenen van de verbrekingsvergoeding wel degelijk rekening gehouden wordt met de werkgeversbijdragen voor de groepsverzekering. U hebt zelf ontslag genomen. Verandert u op uw initiatief van werkgever, dan zult u van de verzekeraar die de groepsverzekering van uw oude werkgever beheert, een overzicht krijgen van de bijeengespaarde kapitalen. Meteen zal u ook de vraag gesteld worden wat er met het bijeengespaard kapitaal moet gebeuren. U hebt vervolgens 30 dagen de tijd om uw keuze bekend te maken. U hebt de volgende mogelijkheden: n Ofwel betaalt u geen premies meer voor uw (oude) groepsverzekering, met dien verstande dat u het bijeengespaarde kapitaal niet opvraagt, maar gewoon laat staan. Uw kapitaal zal dus interesten blijven opbrengen, maar er zal geen nieuw kapitaal worden bijgestort. n Ofwel draagt u het bijeengespaarde kapitaal over naar de groepsverzekering bij uw nieuwe werkgever (als hij zijn personeel een groepsverzekering aanbiedt). Bij deze overdracht mogen geen kosten worden aangerekend. n Ofwel zet u uw groepsverzekering persoonlijk verder door zelf premies te betalen. Dit gebeurt dan wel in het kader van de zogenaamde 'derde pijler' (zie verder). Dit betekent concreet dat u jaarlijks tot 1870 euro (bedrag voor 2005) kunt storten in uw oude groepsverzekering. WEETJE Maakt u als werknemer geen keuze binnen de 30 dagen, dan gaat men ervan uit dat u voor de eerste mogelijkheid hebt gekozen, namelijk voor het premievrij maken van het contract. Toch staat het u nadien nog altijd vrij om het bijeengespaarde kapitaal van uw groepsverzekering alsnog over te dragen naar de groepsverzekering van uw nieuwe werkgever. BELANGRIJK Wat u het best kiest, hangt af van individu tot individu. Toch kunnen we enkele belangrijke algemene aandachtspunten meegeven: n Welke dekkingen biedt de groepsverzekering van uw nieuwe werkgever? Hebt u bij uw nieuwe werkgever een even groot kapitaal bij overlijden? Is dit niet het geval, dan is het aan te raden het kapitaal overlijden te laten staan bij uw vorige groepsverzekering en het bijeengespaarde kapitaal dus niet over te dragen. n Kijk ook naar de beleggingsstrategie van de nieuwe verzekeraar. Welke rentevoet past hij toe? Is deze rentevoet bij de nieuwe verzekeraar lager, dan is een overdracht niet aangewezen. Als werknemer betaalt u een belasting op het uitgekeerde kapitaal. Eerst worden op het brutokapitaal en op de winstdeelname een zogenaamde RIZIV-bijdrage (van 3,55 %) en een solidariteitsbijdrage (2 %) ingehouden (zie kader: De belasting, concreet). Na deze sociale inhoudingen, kennen we het belastbare kapitaal. Hierop wordt dan een belasting ingehouden van: n 16,5 % op het deel van het kapitaal gevormd door de werkgeversbijdragen n 10 % op het deel van het kapitaal gevormd door de werknemersbijdragen. Op die belasting wordt er tenslotte nog eens gemeentebelasting berekend. Op de winstdeelname die u op het einde van de rit ontvangt, betaalt u geen belastingen. Een groepsverzekering eindigt op de datum voorzien in het pensioenreglement. Het kapitaal van uw groepsverzekering wordt uitbetaald, ofwel op uw pensioenleeftijd (in principe 65 jaar) ofwel bij overlijden (indien dit vóór uw pensionering plaatsvindt). Het kapitaal kan ook op uw 60ste worden uitbetaald als dit in het groepsreglement is bepaald. Het is evenwel wettelijk verboden om de groepsverzekering van werknemers uit te betalen vóór de leeftijd van 60 jaar of vóór de feitelijke pensionering. Als uw pensioenreglement als einddatum 65 jaar bepaalt en u gaat met pensioen als u 63 bent, dan zult u dus nog 2 jaar op uw kapitaal moeten wachten. LET OP! Er is een uitzondering op deze regel. Het verbod om het kapitaal van een groepsverzekering op te vragen vóór de leeftijd van 60 jaar of vóór de feitelijke pensionering geldt niet voor bestaande groepsverzekeringen die door de werknemer worden opgenomen vóór 31 december 2009. Bij die groepsverzekeringen is een uitkering mogelijk vanaf 55 jaar. WEETJE Als de einddatum van de groepsverzekering vastligt op 60 jaar, u het kapitaal niet opvraagt en in dienst blijft, dan kunt u nog premies storten tot uw 65ste. Deze premies worden echter wel belast, wat niet het geval is voor premies na uw 60ste in het kader van de derde pijler (zie verder). Meestal wordt het kapitaal van een groepsverzekering uitgekeerd onder de vorm van een eenmalig kapitaal. Toch hebt u ook de mogelijkheid te vragen aan de verzekeraar om het kapitaal om te zetten in een maandelijkse rente die u wordt uitgekeerd zolang u leeft (een periodieke lijfrente). U moet dit vragen op het ogenblik van uw pensionering. LET OP! Kiest u voor een levenslange uitkering in rente, dan moet u vanaf de aanvang van de rente het kapitaal afstaan en dit is een definitieve keuze. Stel dat u al enkele jaren na uw pensionering overlijdt, dan hebben uw erfgenamen pech, want het hele pensioenkapitaal wordt dan eigendom van de verzekeraar die de rente verzekert. De rest van het door u afgestane kapitaal gaat dus aan uw erfgenamen voorbij. Eenmaal voor een rente gekozen, bent u gebonden aan deze beslissing. U kunt met andere woorden het afgestane kapitaal nooit meer terugvragen om de gespaarde sommen op een andere manier te beleggen. BELANGRIJK! Wat kiest u het best: de uitkering van een rente of van een kapitaal? We geven u een TIP: om het beste van beide systemen te combineren, kunt u de uitkering van het kapitaal vragen en het afstaan aan een bank of een verzekeraar in ruil voor een levenslange rente. Op die manier kiest u onrechtstreeks toch voor een uitkering in rente zonder de nadelige gevolgen. Bij uw overlijden gaat het niet-opgesoupeerde geld in dit geval naar uw erfgenamen. Het wordt dus geen eigendom van de verzekeraar. Mocht uw werkgever failliet gaan, dan is de vraag wat er met de kapitalen van uw groepsverzekering gebeurt. Welnu, de kapitalen die de werkgever voor u heeft gespaard in het kader van een groepsverzekering, zijn beschermd tegen de schuldeisers van de werkgever. In dit geval hoeft u dus niet bang te zijn: gaat de werkgever bankroet, dan zullen zowel het kapitaal als de interesten van uw groepsverzekering aan u worden uitbetaald. Ze verdwijnen niet in de zakken van de schuldeisers. Onder de derde pijler van het pensioenstelsel verstaat men het aanvullend individueel sparen met fiscale voordelen. Het gaat hier meer bepaald om het fiscale levensverzekeringssparen en het fiscale pensioensparen. Ook via een individuele levensverzekering kunt u sparen voor later. Zolang dit contract loopt, garandeert het immers de uitkering van een kapitaal op pensioenleeftijd van de verzekerde en/of bij overlijden van de verzekerde. n De premies die u betaalt voor een individuele levensverzekering brengen in de meeste gevallen een gewaarborgde rente op van 3,25 % per jaar. Het maximum is wettelijk vastgelegd op 3,75 % per jaar. Daarbovenop kan een jaarlijkse winstdeelname worden uitbetaald. Deze bonus is niet zeker, maar wordt bepaald door de beleggingsresultaten van de verzekeraar. Hoe beter de beurzen het doen, hoe meer bonus er zal worden uitbetaald. n Bovenop dit financiële rendement is er ook een fiscaal voordeel. De premies leveren u onder bepaalde voorwaarden een belastingbesparing op van û afhankelijk van uw inkomen û 30 tot 40 % van de betaalde premie (nog verhoogd met de gemeentebelasting). Per jaar kunt u echter niet meer premies aftrekken dan 1870 euro (voor het inkomstenjaar 2005). Betaalt u bijvoorbeeld het maximum van 1870 euro, dan is uw maximale belastingbesparing gelijk aan 748 euro (1870 x 40 %), plus de gemeentebelasting. Bij een gemeentebelasting van 6 % wordt dat dus 792,88 euro. Staar u echter niet blind op dit bedrag. Houd er rekening mee dat 1870 euro het absolute maximum is. LET OP! Zolang uw hypothecaire lening loopt en u de interesten en de kapitaal- aflossingen fiscaal in mindering brengt, zullen de premies van een individuele levensverzekering meestal niet aftrekbaar zijn. Pas op het ogenblik dat uw lening volledig terugbetaald is, zult u het fiscale voordeel van de premies van een levensverzekering ten volle kunnen genieten. Op 60-jarige leeftijd wordt er een belasting ingehouden van: n 10 % voor het deel van het kapitaal gevormd met premies betaald na 1 januari 1993 n 16,5 % voor het deel van het kapitaal gevormd met premies betaald vóór 1 januari 1993. Vraagt u het bijeengespaarde kapitaal op vóór uw 60ste, dan wordt u gestraft met een belasting van 33 %. WEETJE Interessant om te weten is dat u premies kunt blijven betalen tot uw 65ste en ze fiscaal in mindering brengen zonder dat u op het bijeengespaarde kapitaal na uw 60ste belast wordt. Op deze manier slaat u dus twee vliegen in één klap. De eventuele winstdeelname is vrij van belasting. Binnen de derde pijler is er nog een tweede mogelijkheid om uw wettelijk pensioen aan te vullen, namelijk door middel van het pensioensparen met fiscaal voordeel. Hierbij kunt u tot 620 euro (bedrag voor het inkomstenjaar 2005) per jaar fiscaal in mindering brengen. Precies zoals bij een individuele levensverzekering is uw belastingvoordeel gelijk aan 30 tot 40 % van de gestorte premies (te verhogen met de gemeentebelasting). Betaalt u bijvoorbeeld de maximumpremie van 620 euro, dan hebt u een maximaal belastingvoordeel van 248 euro per jaar. In tegenstelling tot een individuele levensverzekering is deze maximumaftrek van 620 euro niet gebonden aan een minimaal beroepsinkomen. Bij het fiscale pensioensparen kunt u kiezen voor een pensioenspaarverzekering (bij een verzekeringsmaatschappij) of een pensioenspaarfonds (bij een bank). n Een pensioenspaarverzekeringBij een pensioenspaarverzekering wordt uw premie van maximaal 620 euro zo belegd dat u zeker bent van een opbrengst van meestal 3,25 % per jaar (net zoals bij een individuele levensverzekering). Ook bij een pensioenspaarverzekering hebt u recht op een winstbonus die echter niet gegarandeerd is maar afhangt van de prestaties van de verzekeringsmaatschappij. U bent trouwens niet verplicht om elk jaar een premie te storten. U kunt zonder problemen een jaar overslaan. n Een pensioenspaarfondsEen alternatief voor een pensioenspaarverzekering is een pensioenspaarfonds. Bij een pensioenspaarfonds wordt uw premie van maximaal 620 euro belegd op een manier dat u niet zeker bent van de opbrengst van uw premie. Uw premie wordt immers voornamelijk belegd in aandelen. De opbrengst van uw pensioenspaarfonds is dus afhankelijk van het beursklimaat. Doen de beurzen het goed, dan zal ook uw pensioenspaarfonds goed presteren. In 2004 bijvoorbeeld hebben de Belgische pensioenspaarfondsen gemiddeld 19 % opgebracht. Staar u hierop echter niet blind! In een slecht beursklimaat kan uw pensioenspaarfonds ook verlies opleveren. n Wat kiest u het best? Is een pensioenspaarverzekering ideaal voor u, of een pensioenspaarfonds? Het antwoord hangt af van uw beleggingshorizon. Kunt u 10 jaar of langer sparen, dan kiest u het best voor een pensioenspaarfonds. Tussen 1994 en 2004 lag het gemiddeld jaarlijks rendement van de Belgische pensioenspaarfondsen in de buurt van de 8 procent, ondanks de desastreuze beursjaren van rond de eeuwwisseling. Bent u evenwel minder dan 10 jaar verwijderd van uw 60ste verjaardag (en kunt u dus geen 10 jaar meer sparen), dan speelt u beter op zekerheid. Dan neemt u het best een pensioenspaarverzekering in plaats van een pensioenspaarfonds. n Hoe worden de eindkapitalen belast? Net als bij een individuele levensverzekering zal er op uw 60ste verjaardag een belasting van 10 %, van 16,5 % of een combinatie van beide percentages (zie De belasting, concreet, p. 66) worden ingehouden. Daarna hebt u geen verdere fiscale verplichtingen meer. U kunt na uw 60ste nog premies betalen en fiscaal aftrekken (tot uw 65ste) zonder dat u belastingen zult moeten betalen op het op deze manier bijeengespaarde kapitaal. LET OP! Toch is er een verschil tussen een pensioenspaarverzekering en een pensioenspaarfonds op het vlak van de belasting van de eindkapitalen. n Kiest u voor een pensioenspaarverzekering, dan zal de 10 % worden ingehouden op de premies gekapitaliseerd tegen de gewaarborgde rentevoet. Hebt u bijvoorbeeld een contract met een gewaarborgde rente van 3,25 %, dan zal er 10 % belasting worden ingehouden op de premies gekapitaliseerd tegen 3,25 %. U betaalt dus slechts belasting op het effectief ontvangen rendement. n Kiest u voor een pensioenspaarfonds, dan wordt de 10 % belasting berekend op de premies gekapitaliseerd tegen 4,75 %, ook als dit rendement in werkelijkheid niet wordt gehaald. U riskeert dus te worden belast op een hoger bedrag dan wat u in werkelijkheid zou gekregen hebben (in de hypothese dat uw pensioenspaarfonds slecht zou gepresteerd hebben). n Johan Steenackers