Met het vrouwenhuis in Istalif, een dorpje 48 kilometer ten noorden van de Afghaanse hoofdstad Kaboel, is Jennie Vanlerberghe niet aan haar proefstuk toe. Voordien trok ze ook al naar oorlogshaarden in de Balkan, naar Afrika en Palestina.
...

Met het vrouwenhuis in Istalif, een dorpje 48 kilometer ten noorden van de Afghaanse hoofdstad Kaboel, is Jennie Vanlerberghe niet aan haar proefstuk toe. Voordien trok ze ook al naar oorlogshaarden in de Balkan, naar Afrika en Palestina. Jennie Vanlerberghe: Ik denk dat ik dat van mijn vader heb meegekregen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet. Hij zorgde er ook voor dat de mensen in zijn omgeving niets te kort kwamen. En vooral: hij kon niet tegen onrechtvaardigheid. Toen hij stierf, was het alsof ik mijn klankbord verloor. Als jonge vrouw en journaliste wierp ik me enthousiast in de strijd om de vrouwenrechten. Ik organiseerde beurzen en themadagen en trok in columns fel van leer. Maar het was pas in de jaren 90 dat mijn engagement con-creet werd. Ik had al wat contacten met het Rode Kruis en toen de oorlog in de Balkan uitbrak, heb ik gevraagd of ik mee mocht naar Kroatië. Daar, en later ook in Bosnië, kwam ik in contact met dappere vrouwen die in de meest onmogelijke omstandigheden moesten overleven. Door met hen op te trekken en door de verhalen die ze vertelden, werd die oorlog plots heel reëel. Later ben ik nog met Artsen Zonder Grenzen naar Somalië getrokken en ik ben ook in Jeruzalem en Palestina geweest. Inderdaad, Moeders voor Vrede is één van de weinige organisaties die nog ter plaatse is. Na de aanslagen van 2001 nodigde een vriendin, een Afghaanse vluchtelinge die in Frankrijk woont, mij uit om eens ter plaatse te gaan kijken. Wat ik daar zag, tartte alle verbeelding. Nergens ter wereld worden de vrouwen meer vernederd. Op besnijdenis na maken ze daar alles mee wat u zich maar kunt voorstellen. Daarom besloten we een vrouwenhuis op te richten in Istalif, waar de Taliban lelijk had huisgehouden. In ons centrum kunnen vrouwen leren lezen en schrijven, vaardigheden als naaien of keramiek aanleren of op doktersbezoek komen. Want een normaal gynaecologisch onderzoek is in dit land bijna onbe-staande. Vele vrouwen bevallen zelfs met hun boerka aan, want bij het minste contact met een man moeten alle lichaamsdelen verborgen blijven. De islam speelt nauwelijks mee, want vele mensen gaan amper één keer per maand naar de moskee. Bovendien is 90 procent van de bevolking analfabeet. Maar er bestaat nu eenmaal een traditie waarin vrouwen minderwaardig zijn. Als een meisje wordt uitgehuwelijkt, gaat ze bij haar schoonfamilie wonen. Als haar man sterft, dan komt ze automatisch onder het gezag van haar schoonbroer. En zodra haar zoon veertien is, heeft die al het recht haar de les te spellen. Bovendien kan een man zijn vrouw verstoten als hij een jongere vrouw wil huwen. Zo zie je in Kaboel overal vrouwen op straat zitten. Ze mogen geen contact meer hebben met de kinderen die ze zelf hebben opgevoed en vallen zonder inkomsten. Dat zijn hoopjes miserie! In het begin spuwden ze naar mij als ik voorbijkwam. Dat heeft zo'n twee jaar geduurd. Uiteindelijk hebben we hun vertrouwen kunnen winnen door ze bij ons project te betrekken. Ze waren jaloers, want hun vrouwen leerden bij ons lezen en schrijven, terwijl zij dat zelf ook wilden leren. We werken nu ook met mannen, op voorwaarde dat ze hun vrouw en dochters meebrengen. Het is constant schipperen en we hebben de steun van mannen nodig, want vrouwen alleen krijgen niets klaar in dit land. In de beginperiode was ik heel bang voor aanslagen. Maar nu zeggen de mannen van het dorp ons: "Niemand gaat hier een vinger naar jullie uitsteken!" De meesten hebben trouwens een heilige schrik voor de terugkeer van de Taliban. De schoonbroer van een weduwe die bij ons werkt, vroeg me onlangs: "Chabnam gaat haar werk toch niet verliezen, want ze is de kostwinner!" Ik was verrast want normaal mogen vrouwen niet gaan werken. Dat beschouw ik als een overwinning, maar de weg is nog lang. Een paar weken geleden is één van de patiënten van onze dokterspraktijk samen met haar dochtertjes in een waterput gesprongen omdat haar man haar zo zwaar mishandelde. Dat nieuws raakt mij enorm. Het voelt aan alsof ik tekortgeschoten ben. Die aanslagen gebeuren vooral in het zuiden. In Kaboel probeer ik op mijn hoede te zijn en zeker niet te provoceren. Ik reis ook altijd met bevriende taxi's en discrete auto's. Ik ga geen target spelen en vermijd grote massa's. Maar echt onveilig voel ik me er niet. Dat gaat met golven. In 2002-2003 zag je hier en daar vrouwen zonder boerka rondlopen, maar nu lijkt de klok weer wat teruggedraaid. Velen zeggen ons dat de boerka hen ook een vorm van veilig-heid geeft. Zo kunnen ze ongemerkt over straat lopen. Maar anderzijds blijft het toch een grote vernedering. Misschien ben ik wel een beetje te fel geëngageerd, af en toe probeer ik mezelf even terug met beide voeten op de grond te zetten. En ik zeg niet dat er in België geen werk aan de winkel is, maar ik heb het gevoel dat ik in die landen zoveel meer kan realiseren. Zeg maar: een moederkloek. Mijn man is vroeg gestorven en ik heb mijn kinderen grotendeels alleen opgevoed. Pas als zij op eigen benen konden staan, heb ik mijn vleugels weer uitgeslagen en ben ik gaan reizen. Ik hoop ons project in Afghanistan binnen een paar jaar aan een grotere organisatie te kunnen overdragen, want het is ons echt boven het hoofd aan het groeien. Dan zou er ook meer financiële steun kunnen komen, want wij draaien nu volledig op giften van voornamelijk Vlaamse vrouwenorganisaties. Daarnaast hoop ik nog vele boeken te schrijven. Zo ben ik nu bezig aan de vertaling van een boek over Hélène De Beir, de medewerkster van Artsen zonder Grenzen die in 2004 in Afghanistan is vermoord en met wie ik veel contact had. Voor de rest hoop ik nog veel te kunnen lachen. Want we lachen wat af in ons centrum, zelfs in een land waar vrouwen dit in het openbaar niet mogen. Filip Godelaine - foto's: Benny De Grove