Grand Hornu, vandaag Uneso Werelderfgoed, is een ommetje meer dan waard. Voor je de sfeer van Emile Zola kan opsnuiven, rij je door een streek die nog altijd worstelt met de gevolgen van de teloorgang van de zware industrie. Vanuit de auto lijkt alles grijs en triest, tot ineens de bogen van een monumentale poort opdoemen. Het effect is indrukwekkend, maar ook mooi, zeker wanneer je de hele site kan overzien. En het plaatje wordt nog mooier als je ook de geschiedenis ervan kent.
...

Grand Hornu, vandaag Uneso Werelderfgoed, is een ommetje meer dan waard. Voor je de sfeer van Emile Zola kan opsnuiven, rij je door een streek die nog altijd worstelt met de gevolgen van de teloorgang van de zware industrie. Vanuit de auto lijkt alles grijs en triest, tot ineens de bogen van een monumentale poort opdoemen. Het effect is indrukwekkend, maar ook mooi, zeker wanneer je de hele site kan overzien. En het plaatje wordt nog mooier als je ook de geschiedenis ervan kent. Deze plek had evengoed Degorgeville kunnen heten en dat heeft ook geen haar gescheeld, want Grand Hornu is vooral het werk van één man, Henri De Gorge, een van de eerste selfmade mannen. Een kerel van geringe komaf, voorbestemd voor een bescheiden en weinig glamoureus bestaan, tot de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen uitbraken. Henri De Gorge, in 1774 geboren als boerenzoon in de streek van Valenciennes, onderscheidt zich nochtans niet door zijn dapperheid op het slagveld. In het leger is hij eerder een man van de logistiek. Rond 1800 wordt hij bevorderd tot magazijnhouder van de verwarming en brandstofvoorraden van het leger in Rijsel, tot hij voor eigen rekening gaat werken. En hij voor het eerst hoort spreken over de Borinage, een landelijk gebied vlakbij, waar de boeren de winter doorkomen door steenkool te rapen die ze overvloedig vinden op geringe diepte, soms zelf aan de oppervlakte. De echte industrialisatie is nog niet begonnen, maar Henri De Gorge beseft dat deze zwarte grondstof de energie van de toekomst kan worden. Dankzij een slim huwelijk en omvangrijke bruidsschat koopt De Gorge in 1810 een op sterven na dode steenkoolmijn in de Borinage: Grand Hornu. De mijn bevindt zich nabij grote handelsroutes, "maar toch is de aankoop niet meteen een commercieel succes", vertelt Filip Depuydt, gids op de site. "De Gorge raakt zelfs bijna bankroet omdat de mijngalerijen gedurig overstromen. Als laatste redplank laat hij een nieuwe put aanboren, die als bij mirakel een overvloed aan steenkool bevat van zeer hoge kwaliteit." Een beslissing die voor altijd het Waalse landschap hertekent. Hier start, samen met Luik en het Cockerill-avontuur, de industrialisatie op het Europese vasteland. En wordt België de tweede economie ter wereld. Om zijn steenkoolmijn verder te ontwikkelen, start Henri De Gorge in 1816 met de bouw van een utopische en voor die tijd revolutionaire industriestad. Wellicht haalde hij zijn inspiratie bij de Salines Royales (Koninklijke Zoutziederijen) in de Franse Jura. Zijn project brengt alle technische gebouwen - stallen, lampenzaal, cokesoven, administratie, kantoor van de ingenieurs... - samen in een harmonieus geheel. In die tijd is de Oudheid erg in trek en dus geeft De Gorge zijn project de nodige grandeur mee. Het fronton aan de ingang doet denken aan een Romeinse tempel en het centrale binnenplein krijgt de vorm van een amfitheater omrand door bogen. Een tot op vandaag indrukwekkende vormgeving, die vooral diende om het personeel in de gaten te houden. Filip Depuydt: "De machinezaal, die in 1831 werd afgewerkt, lijkt met haar zes meter hoge zuilen op een ware technologiekathedraal. Hier werden stoommachines vervaardigd die het water uit de mijngalerijen moeten wegpompen. Tegenover deze zaal werd boven het kantoor van de ingenieurs een soort kerktorentje met klok gebouwd. Een sterk symbool: door de industriële revolutie ligt de macht niet langer bij de kerk, maar bij het patronaat." Rondom dit amfitheater laat de mijnbaas 440 arbeidershuisjes bouwen, waarmee hij personeel hoopt aan te trekken en vooral aan zich te binden. "Steenkoolwinning was in het begin seizoensarbeid: het bovenhalen gebeurde wanneer de akkers stil lagen. De Gorge wil echter het hele jaar door steenkool exporteren." Hij moet de mijnwerkers dus overtuigen zich hier blijvend te vestigen en spiegelt hen een comfortabel leven voor: een stenen huis met zes kamers, een broodoven vlakbij, een tuintje, zelfs een privétoilet, het toppunt van luxe. Een geweldige verbetering in vergelijking met de boerenstulpjes van die tijd, waar mens en dier vaak één ruimte met een vloer van aangestampte aarde deelden. Grand Hornu pakt zelfs uit met een school waar kinderen tot 12 jaar les krijgen. Een unicim, want tot de wet van 1889, was kinderarbeid vanaf zes jaar normaal. Verder was er een polikliniek, bibliotheek, kiosk, openbare baden... De perfecte samenleving? Niet helemaal. De werkomstandigheden blijven lastig - 12 tot 14 uur per dag. De huur wordt automatisch ingehouden van het loon en achter de wortel gaat de stok schuil: de huisjes zijn strategisch ingeplant zodat de mijnwerkers en hun gezin permanent in de gaten kunnen worden gehouden. Alles is voorzien om de minste opstand in de kiem te smoren. De brede, rechte straten moeten een aanval van de cavalerie vergemakkelijken. Toch verhindert dit niet dat er sociale onlusten uitbreken. Met name wanneer De Gorge, als een vooruitgangspionier, beslist om zijn zwarte te goud niet langer door voerlieden met kar en paard te vervoeren. Vanaf 1830 start hij met de bouw van een van de allereerste spoorlijnen van het Europese vasteland. Niets lijkt nog de opgang van Henri De Gorge te kunnen stuiten en dat stijgt hem naar het hoofd. Hij splitst de schrijfwijze van zijn naam - voordien Degorge - en wil Grand Hornu herdopen tot Degorgeville. En wellicht zou hem dat ook gelukt zijn, want bij de onafhankelijkheid van België wordt hij een van de eerste senatoren van het land en een machtige oligarch. Helaas voor hem sterft hij onverwacht aan cholera tijdens de epidemie van 1832 en kan hij de naamsverandering niet meer waarmaken. Na zijn dood blijft de steenkoolmijn, als een van de weinige, meer dan een eeuw in handen van dezelfde familie. In 1954 gaat de mijn dicht en lijkt het ooit zo revolutionaire Grand Hornu gedoemd om te verdwijnen. De mijnwerkershuisjes worden per stuk verkocht, terwijl de centrale gebouwen als een baksteenwinning in open lucht gaan fungeren. In 1971 wordt het complex bijna met de grond gelijk gemaakt, maar op het laatste nippertje opgekocht door architect Henri Guchez, die vervolgens met de renovatie start. Gelukkig maar, want in 2012 wordt de vroegere steenkoolmijn door de Unesco erkend als Werelderfgoed. Na een moeilijk periode kent Grand Hornu vandaag een tweede leven als culturele hotspot. De site zelf is beslist al een bezoek waard, maar daarnaast herbergt ze ook het Innovatie- en Designcentrum CID (Centre d'Innovation et de Design) en het Mac's, het museum voor hedendaagse kunst van de Franse gemeenschap. Beide instellingen organiseren tijdelijke tentoonstellingen, ook nu. De expo die momenteel loopt in het CID is heel toepasselijk gewijd aan steenkool. Niet steenkool als brandstof, maar als designobject in een koolstofvrije economie. Is de cirkel rond?