Glaucoom wordt meestal veroorzaakt door een verhoogde druk in het oog. Wanneer die geruime tijd aanhoudt, wordt de oogzenuw aangetast. Daardoor sterven zenuwbundeltjes af, wat leidt tot een afname van het gezichtsvermogen. Langzaam vallen dan kleine stukjes van het gezichtsveld in de periferie weg. Dit gebeurt echter zo geleidelijk dat de patiënt er meestal pas hinder van ondervindt als er al grote delen van het gezichtsveld zijn verdwenen. Men spreekt dan van kokerzicht. Ook het zicht bij schemerlicht of in het donker vermindert. De beschadiging van de oogzenuw is onomkeerbaar en kan ...

Glaucoom wordt meestal veroorzaakt door een verhoogde druk in het oog. Wanneer die geruime tijd aanhoudt, wordt de oogzenuw aangetast. Daardoor sterven zenuwbundeltjes af, wat leidt tot een afname van het gezichtsvermogen. Langzaam vallen dan kleine stukjes van het gezichtsveld in de periferie weg. Dit gebeurt echter zo geleidelijk dat de patiënt er meestal pas hinder van ondervindt als er al grote delen van het gezichtsveld zijn verdwenen. Men spreekt dan van kokerzicht. Ook het zicht bij schemerlicht of in het donker vermindert. De beschadiging van de oogzenuw is onomkeerbaar en kan op termijn leiden tot blindheid. We onderscheiden twee soorten glaucoom door een verhoogde druk: bij chronisch openhoekglaucoom - de meest voorkomende vorm - ligt de oorzaak in een verminderde afvoer van inwendig oogvocht door afvalproducten in het afvoerkanaal. Bij een acuut ge-slotenhoekglaucoom blokkeert de afvoer plots en stijgt de oogdruk in enkele uren tijd, wat gepaard gaat met veel pijn in en rond het oog, een troebel zicht en misselijkheid. Naast deze twee soorten bestaat er ook een vorm die kan ontstaan bij een normale oogdruk. Dit is het geval bij mensen met een slechte doorbloeding van de kleine bloedvaten (die vaak koude handen en voeten hebben, en witte vingers), bij wie ook de oogzenuw slecht doorbloed wordt. Meestal treedt glaucoom op aan beide ogen, maar soms is het ene oog sterker aangetast dan het andere. Lastig is alvast dat het probleem een hele tijd kan bestaan vooraleer men merkt dat er iets mis is. Het vroegtijdig opsporen is dus belangrijk. Het meten van de oogdruk moet vanaf veertig jaar om de 1 tot 2 jaar gebeuren, vanaf 60 jaar jaarlijks. Om te bepalen om welk type glaucoom het gaat, worden vier onderzoeken uitgevoerd: een oogdrukmeting (tonometrie), een controle van het uitzicht van de oogzenuw (oogfundus), een onderzoek van het gezichtsveld (perimetrie) en het meten van de kamerhoek (gonioscopie). De belangrijkste risicofactoren zijn: n een hoge oogdruk n de leeftijd: de frequentie stijgt na 40 jaar. Bij 65-plussers heeft 5 % van de bevolking ermee te maken n de etnische groep: mensen met een donkere huidskleur zijn frequenter en ernstiger aangetast n genetische aanleg: glaucoom in de familie verhoogt het risico n sterke bijziendheid n geneesmiddelengebruik o.a. corticosteroïden (opletten voor oog- en neusdruppels die cotisone bevatten!). De bedoeling van de behandeling is de oogdruk te verlagen en zo het probleem te stabiliseren. Genezen kan helaas niet en een regelmatige controle blijft noodzakelijk. Meestal wordt ge-start met oogdruppels, wat stipt volgens het voorschrift moet gebeuren. Soms schrijft de arts ook pillen voor. Ter vervanging van medicatie of indien niet het gewenste resultaat wordt bereikt, kan een laserbehandeling volgen. Die is pijnloos en vergt geen ziekenhuisopname. Pas wanneer oogdruppels én laser onvoldoende resultaat geven, is een operatie noodzakelijk. n Leen Baekelandt