Een dame van 60 jaar die zich uitgaf voor verpleegster, overlaadde haar patiënten met attenties. Uit dankbaarheid voor zoveel belangeloze genegenheid, gunden een hele reeks oudjes deze dame een plaatsje in hun testament. Niet lang daarna verschenen hun doodsberichten in de krant. Het begin van een nieuwe Agatha Christie? Toch niet! Deze vriendelijke dame werd onlangs gearresteerd in... Brussel. Ze wordt verdacht van wat in de juridische taal bedrieglijke verkrijging van een erfenis heet.
...

Een dame van 60 jaar die zich uitgaf voor verpleegster, overlaadde haar patiënten met attenties. Uit dankbaarheid voor zoveel belangeloze genegenheid, gunden een hele reeks oudjes deze dame een plaatsje in hun testament. Niet lang daarna verschenen hun doodsberichten in de krant. Het begin van een nieuwe Agatha Christie? Toch niet! Deze vriendelijke dame werd onlangs gearresteerd in... Brussel. Ze wordt verdacht van wat in de juridische taal bedrieglijke verkrijging van een erfenis heet. Al eindigt niet elke erfenis als een thriller, toch heeft de wetgever ervoor gezorgd dat personen buiten de familie minder makkelijk kunnen erven. Er is sprake van bedrieglijke verkrijging van een schenking of legaat als de begunstigde handelingen heeft uitgevoerd die de vrije beslissing van de schenker of erflater hebben beïnvloed. Om dit risico te vermijden, heeft de wetgever lang geleden twee mechanismen ingevoerd: een weerlegbaar vermoeden van bedrieglijke verkrijging (art. 901 van het Burgerlijk Wetboek) een onweerlegbaar vermoeden van bedrieglijke verkrijging (art. 909 van het Burgerlijk Wetboek). De meest recente wetswijziging van 22 april 2003 verandert niets aan het principe, maar breidt het onweerlegbaar vermoeden uit, zodat uw erfenis sedertdien nog beter beschermd wordt. Erfgenamen kunnen de rechter vragen een schenking of legaat ongedaan te maken als zij kunnen aantonen dat de schenker of erflater niet volledig gezond van geest was op het ogenblik dat hij de schenking deed of het testament ondertekende. Meer nog, stel dat zij niet kunnen bewijzen dat de persoon op het ogenblik zelf niet gezond van geest was, maar dat zij wel kunnen aantonen dat hij voor en na dat ogenblik in een dergelijke staat van geestesziekte verkeerde. In dat geval rijst er een sterk vermoeden dat hij doorlopend in dergelijke geestestoestand verkeerde. Dat maakt een plots moment van volledige helderheid onwaarschijnlijk. Ook de wetgever hanteert dit vermoeden. Degene die een schenking of legaat krijgt van iemand in deze toestand, wordt wettelijk vermoed dit bedrieglijk verkregen te hebben. Dit vermoeden kan echter weerlegd worden. Degene die de schenking of het legaat kreeg, heeft de kans te bewijzen dat de schenker wél gezond van geest was. Sommige personen kunnen geen schenkingen of legaten ontvangen. Volgens de wet hebben zij door de aard van hun taak automatisch een moreel overwicht op de schenker of erflater, die dus niet vrij over zijn goederen kan beschikken. De wetgever gaat zelfs zover dat het vermoeden onweerlegbaar is. Dit betekent dat de persoon die de schenking of het legaat krijgt, niet kan of mag bewijzen dat hij de schenker niét beïnvloed heeft. Dit is een heel strenge wetsbepaling. Daarom zijn er ook strikte voorwaarden aan verbonden. Zijn die niet voldaan, dan wordt het onweerlegbaar vermoeden niet toegepast en mag de begunstigde de schenking of het legaat wél ontvangen. Tot voor de wet van 2003 waren dat enkel: doctors in de genees- of heelkunde officieren van gezondheid de officieren van gezondheid worden nog altijd als dusdanig vermeld, hoewel hun ambt niet meer bestaat en men ze dus uit de wet had kunnen schrappen. Hierdoor kunnen de paramedische beroepen ook onder deze noemer worden gevat, aangezien de minister te kennen heeft gegeven dat het begrip 'officier van gezondheid' ruim en op een hedendaagse manier moet geïnterpreteerd worden. Volgens de auteur van het wetsvoorstel (Thierry Giet) gaat het om een algemene term die de rechtspraak moet interpreteren, afhankelijk van de maatschappelijke evolutie. apothekers de bedienaars van erediensten ( priesters, dominees,...) Sinds de aanpassing van de wet komen daar bij: doctors in de verloskunde beheerders en personeels- leden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen en van om het even welke collectieve woonstructuur voor bejaarden. andere geestelijken: naast de bedienaars van de erediensten werden ook de diakens en lekenhelpers toegevoegd van alle erediensten. Erkend of niet? Op dit punt is er discussie: als de wet enkel de erkende erediensten zou bedoelen, dan vallen de sektes erbuiten. En in dat geval mist de wet haar doel. de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. De drie criteria die van kracht waren voor de wijziging van 2003, zijn behouden: de schenker of erflater moet een behandeling toegediend krijgen de behandeling moet toegediend zijn tijdens de ziekte waaraan de schenker/erflater overleden is de schenking of het legaat moet gebeurd zijn tijdens de ziekte waaraan de persoon overleden is. 1. De behandeling. Het moet gaan om een reeks (dus niet zo nu en dan) medische of (in het geval van de bedienaren van de erediensten) morele handelingen die de persoon een overwicht op de zieke geven waarvan hij misbruik kan maken. Voor de medische zorgen is de toediening van zorgen niet voldoende: het moet wel degelijk gaan om een echte geneeskundige behandeling. Bijgevolg komen de uitbaters of directeuren van rustoorden en dergelijke dus niet in aanmerking, vermits ze geen geneeskunde uitoefenen maar ten hoogste verzorging geven zoals verplegers of verpleegsters dat doen. Men kan echter wel het principe van het 'weerlegbare vermoeden van bedrieglijke verkrijging' inroepen (zie hoger). 2. De ziekte waaraan de schenker/erflater overleed.De wet spreekt alleen over de behandeling, die moet toegediend zijn tijdens de ziekte waaraan de schenker of erflater is overleden. Hiermee wordt bedoeld: de kritieke en hopeloze fase waarin de persoon overlijdt, maar die uiteraard wel lang kan duren. De schenking of het legaat moet tijdens deze laatste fase gebeurd zijn, anders speelt het vermoeden niet. Voorbeeld Een arts behandelt een patiënt twee jaar. Tijdens deze periode neemt de patiënt de arts op in zijn testament. De patiënt geneest. Enkele jaren later hervalt hij en wordt opnieuw door dezelfde arts behandeld. Hij overlijdt aan de ziekte. De arts kan toch van deze patiënt erven als het testament vóór de terminale fase werd opgesteld. Heeft de patiënt het testament opgesteld in de laatste fase van zijn ziekte, dan kan het niet. 3. De schenking of het legaat moet gebeurd zijn tijdens de ziekte waaraan de schenker/erflater overleden is. Als de schenking (of het legaat) is gebeurd tijdens een andere ziekte, dan blijft ze geldig. In 2003 voegde de wetgever, naast deze bestaande criteria, het verblijf in een collectieve woonstructuur aan de wet toe. Daardoor geldt ze ook voor de uitbaters, directeuren en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen en om het even welke collectieve woonstructuur voor bejaarden. De schenking of het legaat moet wel tijdens het verblijf gebeurd zijn. Voorbeeld Stel dat u op uw dertigste uw been breekt en opgenomen wordt in een verzorgingstehuis, waar u uw zorgzame verpleegster in uw testa- ment opneemt. Zelfs al overlijdt u pas 40 jaar later, dan nog zal de verpleegster niet van u kunnen erven. De waarschijnlijkheid dat de persoon die de zieke heeft behandeld of hem onderdak heeft gegeven een invloed heeft gehad die hij kon misbruiken om een voordeel te krijgen, verandert in een onweerlegbaar vermoeden dat bindend is voor de rechter. De schenking (of het legaat) is ongeldig en de begunstigde kan ze niet ontvangen. De ongeldigheid is echter relatief ('relatieve nietigheid' in het juridische jargon) wat betekent dat de wettelijke erfgenamen van de overledene bij de notaris de schenking of het legaat kunnen goedkeuren. Doen ze dat niet uitdrukkelijk, dan speelt het onweerlegbaar vermoeden en zal degene die verdacht wordt van bedrieglijke verkrijging naast de erfenis grijpen. Claudine Lambermont, advocate