Eén ding is zeker: als u niets doet, zullen uw erfgenamen successierechten moeten betalen op uw volledige nalatenschap en die kunnen oplopen tot 27% in Vlaanderen en 30% in Wallonië en Brussel. Wilt u hen deze koude douche besparen, dan kunt u gebruik maken van een van de technieken in dit dossier: de (tussentijdse) schenking, de gesplitste aankoop, de levensverzekering.
...

Eén ding is zeker: als u niets doet, zullen uw erfgenamen successierechten moeten betalen op uw volledige nalatenschap en die kunnen oplopen tot 27% in Vlaanderen en 30% in Wallonië en Brussel. Wilt u hen deze koude douche besparen, dan kunt u gebruik maken van een van de technieken in dit dossier: de (tussentijdse) schenking, de gesplitste aankoop, de levensverzekering. De tarieven van de successierechten nemen toe naarmate het nagelaten vermogen groter is. De truc bestaat er dus in, zoveel mogelijk tijdens uw leven weg te schenken. Dan behoort het niet langer tot het belastbaar actief bij uw overlijden (tenzij bij een niet-belaste schenking als u binnen de 3 jaar overlijdt). Hoewel de tarieven voor de schenking van onroerende goederen in ons land vrij hoog zijn, kunt u fors besparen. Het principe Door beetje bij beetje en tijdens uw leven te schenken, omzeilt u de hoge successietarieven. Zorg er echter voor dat u tussen iedere schenking minstens drie jaar laat verlopen, zoniet speelt de zogenaamde regel van het progressievoorbehoud. Dit betekent dat de waarde van de eerdere schenking bij de belastinggrondslag wordt gevoegd van de latere schenking waardoor deze in de hogere tarieven geduwd wordt (in het jargon: het opduweffect). Eenzelfde regel is in principe van toepassing als tussen de laatste onroerende schenking en het overlijden geen drie jaar is verlopen. Concrete voorbeelden Hoeveel u voor uw erfgenamen kunt besparen, mag blijken uit dit voorbeeld. Stel dat Bart 50 jaar is en weduwnaar. Hij woont in Vlaanderen, heeft één dochter (Anja) en bezit een onroerend patrimonium met een totale waarde van a 600.000, namelijk vier onroerende goederen met een waarde van respectievelijk a 100.000, a 200.000, a 50.000 en a 250.000. Hypothese 1: Bart past de techniek van de driejaarlijkse schenkingen toe en wel als volgt: op 51 jaar schenkt hij het goed van a 100.000 aan Anja, zij betaalt hierop a 5.625 schenkingsrechten op 54 jaar schenkt hij het goed van a 200.000, Anja betaalt a 17.625 op 57 jaar schenkt hij het goed van a 50.000, Anja betaalt a 2.125 op 60 jaar schenkt hij het goed van a 250.000, Anja betaalt a 26.625. Totaal schenkingsrechten: a 52.000. Hypothese 2: Bart schenkt niets weg tijdens zijn leven en laat bij zijn overlijden hetzelfde vermogen (dat per hypothese niet in waarde is gestegen) na. Anja betaalt dan successierechten op een totaal van a 600.000, hetzij: 3% op de eerste schijf van a 50.000 = a 1.500 9% op de tweede schijf van a 200.000 = a 18.000 27% op het saldo, nl. op a 350.000 = a 94.500. Totaal successierechten: a 114.000. Besluit: De belastingbesparing gerealiseerd in hypothese 1 bedraagt: 114.000 - 52.000 = a 62.000! WEETJE Bezit u één (groot) gebouw, dan nog kunt u in schijfjes schenken. U geeft dan om de 3 jaar een bepaald onverdeeld deel van het gebouw weg. TIP Als u in schijfjes schenkt, kunt u zich beperken tot het schenken van de blote eigendom. U behoudt dan het vruchtgebruik en kunt de huuropbrengsten blijven opstrijken. De schenkingsrechten worden wel afgerekend op de waarde van de volle eigendom. Geld, aandelen van een bedrijf, private effectenportefeuilles, antieke meubelstukken, kunst,... De besparing op het vlak van de successierechten is ongetwijfeld nog belangrijker wanneer u tijdens uw leven overgaat tot schenkingen van roerende goederen. Via de notarisRoerende goederen kunnen in de drie gewesten via de notaris geschonken worden tegen een verlaagd tarief (resp. 3%, 5% of 7% - zie het kaderstukje Tarieven roerende goederen). Het grote voordeel is dat u door de betaling van deze lage tarieven, definitief afrekent met de fiscus ook al sterft de schenker binnen de drie jaar na de schenking. Er komen geen successierechten meer bij te pas. De notariële schenking biedt als extra voordeel dat tal van interessante voorwaarden en lasten in de schenking ingebouwd kunnen worden (voorbehoud van vruchtgebruik, vervreemdingsverbod,...). Via een 'gokschenking'Wie deze verlaagde tarieven (3%, 5% of 7%) te hoog vindt, kan zich aan een 'gokschenking' wagen. De schenker kan bijvoorbeeld opteren voor een bankgift, of voor een handgift (al is dit laatste niet mogelijk voor effecten op naam). Dan betalen de betrokken partijen in een eerste fase geen schenkingsrechten en... hopen ze dat de schenker nog minstens drie jaar in leven blijft. Is dat zo, dan heeft de begiftigde van de schenking geluk en hoeft hij geen belastingen te betalen: geen schenkingsrechten, noch successierechten. Overlijdt de schenker binnen de drie jaar, dan zal de begiftigde wél successierechten moeten betalen op wat geschonken werd. In dat geval wordt trouwens ook van hem verwacht dat hij de belastingvrije schenking spontaan vermeldt in de aangifte van nalatenschap van de schenker. Laat hij na dit te doen, dan begaat hij fraude! Wie zich aan een 'gokschenking' waagt, neemt een berekend risico. Immers, het kan eigenlijk alleen maar foutlopen als de schenker binnen de drie jaar sterft, en dan ook nog plots, bijv. door een hartstilstand of een auto-ongeluk. In de meeste gevallen echter, wanneer de schenker niet plots overlijdt, kan er nog ingegrepen worden. Dan volstaat het de handgift- of bankgiftdocumenten vanonder het stof te halen, ze nog snel aan te bieden op een Belgisch registratiekantoor en het schenkingsrecht (3%, 5% of 7%) te betalen. Er moet dan niets meer betaald worden, ook al overlijdt de schenker binnen de drie jaar. LET OP! Wie in een later stadium schenkingsrechten betaalt dan bij de schenking zelf, doet dit op de verkoopwaarde van de goederen ten tijde van de aanbieding ter registratie van deze documenten, niet op basis van de verkoopwaarde ten tijde van de schenking. Vooraf dit: als u met een jurist over een doorgeefschenking praat, zal hij het in Keulen horen donderen. Officieel bestaat de term namelijk niet maar hij geeft wel perfect weer wat hier wordt bedoeld. In het juridische jargon heeft men het over een schenking metfideïcommis de residuo. Deze techniek is al lang ingeburgerd in de wereld van de testamenten maar is relatief nieuw in het schenkingsgebeuren. Het principe In essentie komt het erop neer dat dezelfde goederen door de eigenaar opeenvolgend aan verschillende personen worden toebedeeld. Je kunt het omschrijven als een gift waarbij de schenker het geheel of een deel van zijn goederen overmaakt aan een eerste begunstigde (de bezwaarde) en waarbij meteen bepaald wordt dat wat van de geschonken goederen overblijft bij het overlijden van deze eerste begunstigde (het residuum) automatisch zal toekomen aan een tweede begunstigde (de verwachter), die eveneens expliciet door de schenker wordt aangewezen. WEETJE Ook de verwachter krijgt rechtstreeks van de schenker (dus niet van de bezwaarde). Vandaar dat het belangrijk is dat deze verwachter op het ogenblik dat de schenkingsakte tot stand komt, al... bestaat (d.w.z. dat hij geboren of minstens verwekt is). Hij moet immers (net als de bezwaarde) de schenking uitdrukkelijk aanvaarden en dit moet tijdens het leven van de schenker gebeuren. De concrete toepassingen Traditioneel wordt de doorgeefschenking vooral gebruikt in volgende situaties. Tussen kinderloze echtgenoten. Het is meestal de wens van een echtpaar dat bij het wegvallen van een van de partners de langstlevende zijn levensstandaard kan behouden. Als zij elkaar echter d.m.v. een testament de volledige eigendom van hun bezit nalaten, dan zal de eigen familie van de eerststervende partner niets meer zien van deze erfgoederen en dat is meestal niet de bedoeling. Een tussenoplossing kan er dan in bestaan dat men via testament de eigen erfgenamen de blote eigendom laat toekomen, en de langstlevende partner het vruchtgebruik. Sterft ook die partner, dan worden de eigen erfgenamen volle eigenaar. Het nadeel van deze oplossing is dat de langstlevende dan alleen maar het vruchtgebruik heeft, hij kan het kapitaal niet aanspreken. De de-residuoformule (de doorgeefschenking) kan hier soelaas brengen. Dan wordt de volle eigendom in eerste instantie vermaakt aan de huwelijkspartner en al wat deze niet opmaakt, gaat in tweede orde naar de eigen familie. In relatie tot een gehandicapt kind. Ouders van een gehandicapt kind bekommeren zich uiteraard over het lot van dat kind na hun dood. Niet zelden willen ze de persoon belonen die zich na hun wegvallen over het kind zal ontfermen (de broer of zus, de instelling waar het kind verblijft,...). Ook hier is het de-residuoconcept interessant. De ouders vermaken dan bepaalde goederen aan het gehandicapte kind en ze wijzen meteen de tweede begunstigde aan naar wie al de goederen moeten gaan die het kind bij zijn dood niet heeft verteerd. In de relatie grootouders - ouders - kleinkinderen. Ook wie zijn kleinkinderen in gedachten heeft, kan zijn gading vinden in een doorgeefschenking. Hij of zij kan bijvoorbeeld een effectenportefeuille schenken aan de kinderen, met beding dat wat er bij hun dood overblijft automatisch moet gaan naar de kleinkinderen. Het fiscale voordeelDe doorgeefschenking biedt ook op fiscaal vlak interessante mogelijkheden. Recent zette de fiscus trouwens het licht op groen voor een schenking van roerend goed door grootouders aan kinderen en kleinkinderen. Op de eerste schenking (van de grootouders naar hun eigen kinderen) wordt 3% schenkingsrecht geheven. Later, bij de dood van de kinderen en dus op het moment dat de tweede schenking in werking treedt, betalen de kleinkinderen opnieuw 3% schenkingsrecht op wat rest. Op deze tweede schenking wordt dus geen successierecht geheven, wat een belangrijk fiscaal voordeel oplevert. Wat rest van de doorgeefschenking komt niet in de nalatenschap van de ouders terecht (en wordt dus niet in het successierecht belast samen met het eigen patrimonium, opgebouwd door de ouders) maar stoot meteen en automatisch (tegen het lage schenkingsrecht van 3%) door naar de kleinkinderen. Rechten en plichten van de eerste begunstigdeEén zaak is zeker. De eerste begunstigde heeft geen bewaarplicht tot aan zijn dood. Hij mag met andere woorden iets doen met de goederen die hij heeft ontvangen. Verder zullen zijn rechten en plichten grotendeels bepaald worden door de bewoordingen van de schenkingsakte zelf. De schenker is heer en meester over de manier waarop hij de schenking organiseert. Meer nog, om eventuele problemen te voorkomen, kan hij maar beter duidelijk omschrijven wat met de goederen mag gebeuren, en wat niet. Nemen we als voorbeeld Jan, die een bouwgrond schenkt aan Greet (als eerste begunstigde) en die in de schenkingsakte Petra aanstelt als tweede begunstigde, na de dood van Greet. Als Greet de grond verkoopt en de verkoopprijs in aandelen en obligaties belegt, behoren die dan tot de doorgeefschenking? Hierover zijn niet alle juristen het eens maar een groot aantal is de mening toegedaan dat wat via zogenaamde zaakvervanging in de plaats is gekomen, inderdaad ook het voorwerp zal uitmaken van de doorgeefschenking. Wie hierover geen twijfel wil laten ontstaan, schept het best duidelijkheid in de schenkingsakte. Kan Greet vrij over het geschonken goed beschikken door een testament op te stellen? Onder invloed van ons hoogste gerechtshof, het Hof van Cassatie, wordt deze vraag doorgaans negatief beantwoord omdat de eerste begunstigde hierdoor het doorgeefbeding tot een dode letter kan maken. De schenker kan wél in de schenkingsakte uitdrukkelijk aan de eerste begunstigde toestemming verlenen om ook via testament over de geschonken goederen te beschikken. Mag Greet in alle vrijheid schenken aan wie zij wil? Hier liggen de zaken anders dan wat het testament betreft. Zelf schenken mag in principe wel, tenzij de schenker dit formeel in de schenkingsakte verboden heeft. Eens een zekere leeftijd bereikt, is het vanuit het oogpunt van de successierechten niet meer verstandig zijn vermogen verder uit te breiden. Immers, alles wat er nog bij komt, duwt de erfenisrechten de hoogte in. Anderzijds is het zo dat sommige vastgoedinvesteringen pas mogelijk worden eens u over voldoende spaargeld beschikt en dus een zekere leeftijd hebt bereikt. VOORBEELD Nemen we Alfons en Monique. Alfons wordt op 58-jarige leeftijd door zijn werkgever bedankt voor bewezen diensten. Hij krijgt de spreekwoordelijke gouden handdruk en beslist dat kapitaal te investeren in een appartement aan zee. Alfons en Monique hebben één dochter, Mieke, 37 jaar. Alfons en Monique wonen in Vlaanderen en bezitten een gezinswoning met een waarde van euro300.000. Stel dat het appartement euro 350.000 waard is, dan zal het totaal van hun vastgoedactiva euro650.000 bedragen, waarvan het grootste deel in de hoogste tariefschijf van de Vlaamse successierechten terechtkomt (27%). Dit althans voor het stuk dat Mieke zal erven. Monique zal op haar deel in de gezinswoning genieten van de Vlaamse vrijstelling die sinds 1 januari 2007 van toepassing is. Er bestaat een eenvoudige truc om de successierechten legaal te omzeilen. Het volstaat om het tweede verblijf gesplitst aan te kopen: het vruchtgebruik op naam van de ouders en de blote eigendom op naam van het kind. Als Alfons en Monique op die manier hun appartement verwerven, slaan ze meerdere vliegen in één klap. Als vruchtgebruikers hebben ze de zekerheid dat ze hun leven lang het appartement kunnen gebruiken, zonder vergoeding aan hun dochter. Overlijdt één van hen, dan zal de langstlevende het vruchtgebruik probleemloos voortzetten. Als ook de langstlevende sterft, dooft het vruchtgebruik automatisch uit en het voegt zich bij Miekes blote eigendom. Zij wordt volle eigenaar zonder successierechten te moeten betalen. Probleem opgelost? Toch niet te vroeg gejuicht... Voor het bepalen van de successierechten mag de administratie, die vaststelt dat de erflater het vruchtgebruik kocht en zijn erfgenamen de blote eigendom, ervan uitgaan dat bij het overlijden de volle eigendom in de nalatenschap aanwezig is, en dus niet alleen het vruchtgebruik. De fiscus heeft dus het wettelijke recht om het feit te negeren dat iemand anders de blote eigendom kocht als hij veronderstelt dat de vruchtgebruiker de volledige aankoop gefinancierd heeft. Maar dit betekent niet noodzakelijk dat een aankoop met een splitsing tussen vruchtgebruik en blote eigendom dan zinloos is! Dit wettelijke vermoeden kan immers weerlegd worden. Het komt er gewoon op aan u goed voor te bereiden en het nodige bewijsmateriaal te creëren en te bewaren. In feite eist de fiscale administratie het bewijs van drie elementen om het wettelijke vermoeden ongedaan te maken: de blote eigenaar moet aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikte om zijn deel van de prijs en de koopkosten te kunnen betalen de blote eigenaar moet aantonen dat hij zijn aandeel met eigen middelen heeft betaald (bijv. via bankoverschrijvingen) de uitsplitsing van de koopprijs tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar moet op een correcte wijze gebeuren. WEETJES om de kans op slagen te vergroten. De loutere vermelding in de notariële koopakte dat de blote eigenaar zelf zijn deel betaalde, volstaat niet. Het bewijs moet met andere documenten geleverd worden, bijvoorbeeld een rekeninguittreksel of het bewijs dat hij een lening heeft aangegaan om zijn deel van de aankoop te financieren. De fiscus aanvaardt dat het geld vooraf door de ouders geschonken wordt. De enige voorwaarde is dat de schenking plaatsheeft voor de aankoop. De fiscus verzwaart deze voorwaarde door te eisen dat de schenking plaatsvindt voor de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst. Dit standpunt wordt fel gecontesteerd maar zolang er geen rechterlijke uitspraken zijn die de fiscus op dit punt ongelijk geven, is het beter ervoor te zorgen dat de schenking plaatsvond voor de ondertekening van de onderhandse verkoopovereenkomst. De fiscus is niet gehouden aan een tijdslimiet om het bewijs te vragen. Stel dat de langstlevende bijvoorbeeld pas 30 jaar na de schenking overlijdt, dan nog zal bewezen moeten worden dat het wettelijk vermoeden van de fiscus ongegrond is. Kan de oeroude techniek van de levensverzekering een interessant middel zijn om uw vermogen voordelig door te geven? Als u het een beetje handig speelt, kan dit zeker het geval zijn! Het mechanisme van een klassieke levensverzekeringsovereenkomst heeft weinig toelichting nodig. Iemand (de verzekeringnemer) sluit met de verzekeringsmaatschappij een overeenkomst waarbij deze laatste zich verbindt, bij het overlijden van een bepaald persoon (de verzekerde) een som uit te keren aan een derde persoon (de begunstigde). In deze formule is die derde geen contracterende partij. In juridische termen spreken we van een beding ten behoeve van een derde. Door het onderschrijven van een levensverzekering zou men een belangrijk deel van het vermogen aan de nalatenschap (en daardoor in principe ook aan het successierecht) kunnen onttrekken. Maar... ook de fiscus kent dit mechanisme. Hoewel dergelijke contracten tijdens het leven worden afgesloten, zullen op het ogenblik dat de verzekeringnemer overlijdt, op de uitgekeerde kapitalen in principe successierechten verschuldigd zijn. Maar... Het is mogelijk (en in de praktijk totaal niet ongebruikelijk) dat één en dezelfde persoon in het kader van een levensverzekerinscontract optreedt in verschillende hoedanigheden. Zo kan de overeenkomst worden gevestigd op het hoofd van één persoon, waarbij de verzekeringsmaatschappij het gevormde kapitaal niet zal uitkeren aan de begunstigde, maar aan de verzekeringnemer zelf. In dit geval is er dus geen sprake van een beding ten behoeve van een derde, maar van een beding ten behoeve van zichzelf. Met uitzondering van echtgenoten getrouwd onder een gemeenschappelijk stelsel, zal de uitkering van het kapitaal op het ogenblik van het overlijden van diegene op wiens hoofd de levensverzekeringsovereenkomst werd afgesloten, niet aan het successierecht onderworpen zijn. Dit opent interessante perspectieven. U kunt bijvoorbeeld als volgt te werk gaan: In een eerste fase schenkt de erflater (bijv. de grootvader) geld aan de persoon die hij wenst te begunstigen (bijv. zijn kleinzoon). Deze schenking gebeurt fiscaalvriendelijk via een handgift of bankgift. Vervolgens plaatst de kleinzoon (als verzekeringnemer) de verkregen gelden integraal in een levensverzekeringspolis op het hoofd van zijn grootvader (als verzekerde) en met zichzelf als begunstigde. Bij het onderschrijven van de polis worden de geschonken gelden als enige premie aangewend. Als grootvader meer dan drie jaar na datum van de schenking overlijdt, zal het kapitaal belastingvrij aan de kleinzoon worden uitgekeerd. Bij een overlijden van grootvader binnen de drie jaar zullen in principe wel successierechten verschuldigd zijn. Dit is maar een voorbeeld. Er zijn tal van combinaties in het verzekeringswezen denkbaar. Vraag hierover advies bij een gespecialiseerde verzekeringsmakelaar of -maatschappij! Eric Spruyt, notaris - professor Fiscale Hogeschool Brussel