Bij onze heel verre voorouders waren de taken netjes verdeeld: terwijl de man op jacht ging, zocht de vrouw naar eetbare planten. Ze vond uien, wilde artisjokken, wilde wortelen en allerlei koolsoorten. Plus kruiden die zeer gegeerd waren: cichorei, tuin- en waterkers, spinazie, venkel, veldsla, netel, zurkel, paardenbloem,... Deze planten bevatten hoge dosissen flavonoïden met antioxiderende eigenschappen. De meeste vruchten werden rijp gegeten en waren daardoor rijk aan micronutriënten. Bovendien bezaten groente en fruit wellicht een hogere dosis vitamines en mineralen dan de groente en fruit die we vandaag in de supermarkt kopen. En vroeger waren er geen insecticiden, geen genetisch gemanipuleerd voedingswaren, geen uitgeputte gronden... Evenmin waren er snacks te krijgen of kant-en-klare schoteltjes uit de supermarkt. "Typisch aan onze tijd", zegt dr. Jean-Paul Curtay, "is dat ons voedsel zeer calorierijk is, maar paradoxaal genoeg, arm aan de voedingsstoffen die we nodig hebben. We eten immers niet voldoende groente en fruit. En bijna 80 % van de mensen zet niet eens elke week vis op het menu, terwijl internationale deskundigen aanraden drie keer per week vis te eten!"
...