Tussen april en oktober lijkt de voorkant van het huis op permanente Floralia. Wat ooit een carport was, is nu een patiotuin met een overweldigende bloei van klimrozen en clematissen. De bodem van de carport is - in Japanse zenstijl - beplant met schaduwminnende soorten zoals Epimedium (een geelbloeiende bodembedekker), Podophyllums (decoratieve badplanten) en vooral een zeldzame vaste plant die luistert naar de Latijnse naam Tricyrtis marantha. Deze gele klokjesbloemen worden in de zomer bijna één meter hoog en zijn aan de binnenkant prachtig roodbruin gevlekt.
...

Tussen april en oktober lijkt de voorkant van het huis op permanente Floralia. Wat ooit een carport was, is nu een patiotuin met een overweldigende bloei van klimrozen en clematissen. De bodem van de carport is - in Japanse zenstijl - beplant met schaduwminnende soorten zoals Epimedium (een geelbloeiende bodembedekker), Podophyllums (decoratieve badplanten) en vooral een zeldzame vaste plant die luistert naar de Latijnse naam Tricyrtis marantha. Deze gele klokjesbloemen worden in de zomer bijna één meter hoog en zijn aan de binnenkant prachtig roodbruin gevlekt. In de ruime voortuin gaat het bloemenfeest verder. Een langwerpige pergola met klimrozen leidt naar het huis. Onder een atlasceder, waarin klimop zich heeft genesteld, zijn buxuskamertjes aangelegd maar ook borders met de meest uiteenlopende bloemen. Vaste planten én eenjarigen, bolplanten, rozen en bodembedekkers, allemaal door elkaar. Cottagetuin? Bloeiende berm? Het kleureneffect is in elk geval even overweldigend en krijgt nog een verlengde in de tegeltuin aan de straatkant. "Eigenlijk waren we al in onze jeugd met bloemen bezig", zeggen de eigenaars Gilbert Verbeerst (59) en zijn levensgezel Ruud De Cock (48). Zij vonden hun paradijsje in 1995 in Lavendee, een vergeten gehucht van Koekelare. De naam zou verwijzen naar katholieken uit de Vendée die na hun mislukte opstand tegen de Franse revolutie naar het noorden vluchtten. Gilbert en Ruud vonden hier een uitgewoond huis met een totaal verwaarloosde tuin. Ze startten bijna onmiddellijk met de heraanleg. Na tien jaar begon de tuin eindelijk te lijken op wat ze wilden: een natuurlijk en wild ogende, romantische tuin die elke dag tussen april en oktober volop bloeit. Die wilde natuurlijkheid is echter maar schijn. Elke vierkante meter werd rigoureus gepland en bestudeerd. Achter het huis strekt zich een nog groter deel van de tuin uit. Bomen en hoge struiken zorgen er voor een intiem gevoel. Hier gingen de eige-naars een tweede uitdaging aan: werken met zo veel mogelijk inheemse bloemen. Dat lijkt simpel, maar is het niet. Probeer in een doorsnee tuincentrum maar eens plantjes als kleine egelskop of koninginnenkruid te vinden. Gilbert en Ruud hebben dan ook heel wat uren in gespecialiseerde kwekerijen doorgebracht. Wat ze "de moerastuin" noemen, is een waterpartij waar tientallen inheemse soorten probleemloos gedijen. De namen ervan lijken weggelopen uit een herbarium: poelruit, lisdodde, valeriaan, pijlkruid, inheemse waterlelie, moerasvaren, zwanenbloem, hangende zegge, moeraswolfsmelk... Tussen hen toch ook enkele exotische verschijningen zoals zijdepapierplanten en purperbloeiende Thalictrum Elin. "We zijn verplicht compromissen te maken", verklaart Ruud. "Inheemse soorten bloeien vooral in het voorjaar en het begin van de zomer, hun bloei wordt dan opgevolgd door kweekbloemen of meer uitheemse soorten." Elders wacht een knap ontworpen kruidentuin. In vier tuinkamertjes worden strakke buxuspiramides omgeven door een weelde aan hoge keukenkruiden en geneeskrachtige planten. Bij de eerstgenoemde geuren basilicum, venkel, citroenmelisse, marjolein, dille en mierikswortel, bij de tweede groep zien we goudsbloem, wijnruit, hartgespan en Echinacea purpurea (het bekende kruid van dr. Vogel). Onder de schaduw van elzen, hazelaars en wilde kersen loopt een kronkelend pad naar het achterste gedeelte. Langs het pad wisselen inheemse beauty's als salomonszegel, vingerhoedskruid, longkruid, lievevrouwenbedstro en toortsbloem af met exoten als siergember, voetblad en het Chinese plantje Saruma henryi. Het achterste tuingedeelte kijkt vanuit een paviljoentje uit op weiden en daarom kozen de eigenaars voor een prairietuin als overgang. Hier groeien grassoorten die ooit de Amerikaanse prairies kleurden, in combinatie met pimpernel en duizendknoop. Al die kleuren worden aangevuld door bloeiers in potten, hanging baskets en leuke knipogen. Op plaatsen waar je het niet meteen verwacht, staan of hangen siervoorwerpen, een stilleven van zinken gieters en metalen vogels - de vrucht van de metalenverzameling van Gilbert. Leuk zijn ook de in steen gebeitelde opschriften: Einstein lezen we bij de buxus-piramiden, Plus est en vous aan een zit- en leeshoek, In den beginne bij de composthoop. Een wilde bloementuin als deze heeft echter ook twee grote nadelen. In de winter ziet hij er behoorlijk kaal uit, al wordt dat gecompenseerd door de zeer rijke bloei vanaf april. En hij vraagt werk. Gilbert en Ruud schatten dat ze van maart tot juni elke week 24 uren aan het onderhoud besteden. Hun tuin is zelfs één van de redenen waarom Ruud vier vijfde is gaan werken (Gilbert is met brugpensioen). Al het wieden doen ze met de hand, bestrijdingsmiddelen zijn taboe. Ze hebben wel helpers gevonden in de kleine cochinkrieltjes die overal vrij mogen rondlopen. Deze kleine raskippen doen zich graag te goed aan de eitjes van slakken. "Een goede oplossing maar koop dan vooral niet een haan, want cochinhaantjes kunnen heel agressief zijn", weet Gilbert. "Onze tuin is onze verslaving", vat Ruud samen. "Vanaf juni begint het genieten. Op vijf plaatsen hebben we een zithoek gemaakt, zodat we op elk moment kunnen kiezen voor de mooiste sfeer. Als onverbeterlijke romantici durven we daar 's avonds kaarsen en theelichtjes aansteken. Als glimwormen in het donker!" Ludo Hugaerts, foto's: Bastin & Evrard