Op de avond van Witte Donderdag lopen Ferrán en ik in een lang rood kleed van zware wol met een brede witte cape erover door de straten van Palma. We gaan over oude kasseistraatjes, langs antieke huizen en paleizen met geheime binnentuinen. We zijn op weg naar het Plaça de l'Hospital, het vertrekpunt voor de processie van de religieuze broederschappen, de cofradías. De cape wappert elegant bij elke fikse stap. We zijn twee van de drie musketiers, of Jeanne D'Arc en een van haar ridders. In mijn hand hou ik de hoge witte puntkap die we pas mogen dragen als de stoet begint.
...

Op de avond van Witte Donderdag lopen Ferrán en ik in een lang rood kleed van zware wol met een brede witte cape erover door de straten van Palma. We gaan over oude kasseistraatjes, langs antieke huizen en paleizen met geheime binnentuinen. We zijn op weg naar het Plaça de l'Hospital, het vertrekpunt voor de processie van de religieuze broederschappen, de cofradías. De cape wappert elegant bij elke fikse stap. We zijn twee van de drie musketiers, of Jeanne D'Arc en een van haar ridders. In mijn hand hou ik de hoge witte puntkap die we pas mogen dragen als de stoet begint. "De verantwoordelijke is heel streng", had Ferrán gezegd, "als hij een fout ontwaart in uw kledij, mag u niet mee. En liefst niet te veel praten, anders valt het te erg op dat u niet van hier bent." Zijn medebroeders en -zusters zijn leden van voorname families op Mallorca. De jonge Ferrán houdt met plezier deze traditie in eer. "Omdat het al eeuwen zo is, omdat het zegt wie wij zijn en hoe onze cultuur is." Bovendien zijn die rituelen van de paasweek een manier om te laten zien dat Mallorca nog steeds van de Mallorcanen is, en niet van de vele ingeweken Duitsers en Britten. Op het Plaça de l'Hospital wacht een veelkleurige mensenzee op het vertrek. Blauwe, rode, witte en bruine gewaden, allemaal met puntkap en handschoenen. Alle Cofradías stappen mee vanavond. Tromgeroffel, fanfares en trompetgeschal. Praalwagens torsen reuze Mariabeelden met een aureool van brandende kaarsen en boeketten van lelies en rozen. Op andere prijkt Jezus met een enorm kruis. Bloed, zweet en tranen. Het is de processie van Sant Christ de la Sang, de Heilige Christus van het Bloed. Ferrán had me gewaarschuwd: hoe dichter we bij Pasen komen, hoe morbieder en duisterder het allemaal wordt. Vanavond ben ik lid van de Venerable Cofradía de Penitentes de Santiago. We zetten de zware puntkap op en hangen het doek voor het gezicht, vanaf nu kijk ik door twee ooggaten naar de buitenwereld. We steken de ellenlange kaarsen aan die we meedragen. Schuifelend vertrekt de processie. De fanfare speelt een soort treurmars. De kaars lijkt na een kwartier wel 20 kilo te wegen. Daarenboven moet ik goed opletten waar ik loop, anders steek ik de punt van Ferrán z'n kap in brand met mijn flakkerende kaars. Het wordt al donkerder. Alles kraakt, mijn nek- en armspieren roepen dat het genoeg is, maar net als ik vertwijfeld een uitweg probeer te bedenken gaat het plots beter. Ik denk dat de Madonna van de Hoop, die ergens achter me voort deint, ingegrepen heeft. Langs de kant van de weg bidden oude dames, de tranen in de ogen van ontroering. Een jonge vrouw huilt haar papieren zakdoekje vol, maar de meesten slaan de processie gade met warme vrolijkheid. "En nu komt Jezus hé mama!", roept een meisje. De Jezus die ze ziet aankomen hangt aan een groot, dreigend kruis. De wagens rollen op hoge wielen of worden gedragen door tientallen stoere kerels. " E Viva la Virgen!" De madonna is de ster van de avond, ze wordt overal op gejuich onthaald. Een plastic traan blinkt op haar bleke wang. Madonna's zijn altijd melancholiek. We dwalen urenlang als spoken door de middeleeuwse donkere stad, tot we net na middernacht terug bij het beginpunt aankomen. Treurnis is enkel te verdragen als je weet dat er opklaringen komen, en na elke processie zitten alle bars en tapashuizen tjokvol, tot ver na middernacht. Het leven moet hevig gevierd worden, zeker als de dood zo uitgesproken in de buurt is. Het duisterste moment moet wel de nacht van Goede Vrijdag zijn, als de processie eindigt in een kerkje waar Christus, zoals elk jaar, zal begraven worden in een tombe achter het altaar. Na middernacht wordt het frêle Jezusbeeld voorzichtig binnengedragen. Hij zeilt langs de flakkerende kaarsen en het doodstille publiek. Wierook verspreidt zich als ochtendmist over de vloer. Jezus wordt in zijn graf gelegd. En dan klapt plots het grafdeksel met een theatrale slag dicht, alsof het nooit meer zal opengaan. Paasochtend. Vandaag komt de Spaanse koninklijke familie, die een vakantieoptrekje heeft op Palma, de hoogmis in de kathedraal bijwonen. Ik stap naar buiten voor een café con leche in Café Diplomat, waar oude heren in maatpak hun vaste stek hebben op zondag. Tiempo de fervor kopt de plaatselijke krant, tijd van vurige vroomheid. "Of je nu gelovig bent of niet, we hebben weer eens getuige mogen zijn van het mysterie van leven en dood." Ik bestel nog een café, adem de frisse lucht in die door de opengeslagen deuren naar binnen waait en hoor aan de kathedraal het volk juichen. De koninklijke familie is net naar buiten gekomen en koning Juan Carlos kruipt zelf achter het stuur van zijn chocoladebruine auto, hoor ik later vertellen, op weg naar een uitgebreide paaslunch, zoals iedereen op Palma. Greet van Thienen