Het historische centrum van Salvador, de hoofd-stad van de Braziliaanse deelstaat Bahia, bezoek je niet zomaar even. Je neemt de lift, meer bepaald de oudste van het Zuid-Amerikaanse continent en een uniek pareltje van art-decoarchitectuur. Al sedert de negentiende eeuw verbindt de Lacerda elevador de haven in de Cidade Baixa (de benedenstad) met de Cidade Alte (de bovenstad). Het gevaarte steunt op een loodrechte klif die niet minder dan 70 meter boven het zeeniveau uitsteekt.
...

Het historische centrum van Salvador, de hoofd-stad van de Braziliaanse deelstaat Bahia, bezoek je niet zomaar even. Je neemt de lift, meer bepaald de oudste van het Zuid-Amerikaanse continent en een uniek pareltje van art-decoarchitectuur. Al sedert de negentiende eeuw verbindt de Lacerda elevador de haven in de Cidade Baixa (de benedenstad) met de Cidade Alte (de bovenstad). Het gevaarte steunt op een loodrechte klif die niet minder dan 70 meter boven het zeeniveau uitsteekt. De Mercado Modelo, in de hallen van het oude douanegebouw aan de voet van de lift, biedt een massa souvenirwinkeltjes. Boven wacht een wonderlijk panorama over de baai, met onder meer uitzicht op het Portugese fort dat over de jachthaven waakt. Aan de horizon eisen de contouren van het eiland Itaparica de aandacht op. "Dit is de grootste baai van Brazilië", vertelt stadsgids Dirk ons, een Belg die al jaren in Bahia woont. "Salvador telt binnen haar grenzen ruim 50 kilometer stranden, bijna zoveel als de Belgische kust." Kort en goed: dit is het paradijs. Ongetwijfeld dacht Amerigo Vespucci er net zo over toen hij hier in 1501, op Allerheiligen, voor anker ging. De ontdekkingsreiziger doopte de baai Todos os Santos, maar het goud dat hij er hoopte te vinden, werd hem niet gegund. "Suikerriet groeide hier wél", weet onze gids. "Om de plantages te bewerken, maakten de veroveraars de plaatselijke bevolking, de indígenas, tot slaven. En toen dat niet meer volstond, voerden ze werkkrachten uit Afrika aan." In het begin van de achttiende eeuw was de koloniale nederzetting Santiago da Bahia uitgegroeid tot de tweede grootste stad van het Portugese imperium, enkel voorafgegaan door Lissabon. Om de belangrijkste reden van deze aangroei, de massale aanvoer van negerslaven te eren, plus het verdriet, de ontbering en de miserie die deze mensen moesten ondergaan, werd Salvadors meest kleurrijke wijk genoemd naar de schandpaal (de pelourinho) waaraan ongehoorzame slaven in die tijd publiekelijk terechtgesteld werden. De erkenning als werelderfgoed van Unesco en ettelijke miljoenen dollars hebben de koloniale wijk nu in haar vroegere glorie hersteld. De verkeersvrije buurt met haar kleurrijke façades is het toeristische hart van de stad geworden, en 's avonds het onbetwistbare uitgaanscentrum waar het altijd gonst van de activiteiten. Terwijl we over de geplaveide straatjes tussen de fruit- en de drankenkraampjes lopen, ontmoeten we af en toe volledig in het wit geklede Brazilianen. Het zijn aanhangers van de Candomblé, een Afro-Braziliaanse religie met wortels in de voodoo van West-Afrika. Minder zichtbaar dan de samba of capoeira, wordt dit volksgeloof diep in de nacht in achterzaaltjes beleefd, waarbij de gelovigen hypnotiserende hymnes zingen tot ze een staat van trance bereiken. Salvador is een aangename slenter-stad met levendige pleinen, sigaren- en souvenirwinkeltjes, kerken,... Via de Praça Municipal en de Praça de Sé, geflankeerd door statige palacio's, gebedshuizen en pastelkleurige burgerswoningen, wandelen we naar de Jezuïtenkerk. Deze kathedraal, één van de oudste voorbeelden van Braziliaanse barok, overweldigt met haar vergulde roccoco-altaren, haar vrome heiligenlevens in olieverf en haar wanden betegeld met typisch Portugese azuleijos. Op het pittoreske plein Terreiro dé Jesus, gekleurd door mimosa en flamboyantbomen met hun vuurrode bloemen, bruist het hart van de oude stad. Zwarte mama's in felgekleurde rokken en kraakwitte kanten blouses, een tulband op het hoofd gedrapeerd, zitten achter kookpotten vol bonen, suddervlees en bakbananen. Op een terras drinken we een caipirinha, dé nationale drank op basis van verse limoen en lokale rum. Voor de kathedraal demonstreert een groepje capoeiradansers zijn kunstjes. Op het bezwerende ritme van de tamtam en de berimbau - een éénsnarig instrument, gemaakt van een gebogen stok met een kalebas als klankkast - wisselen de dansers elkaar af voor een schijngevecht in de cirkel. Met ritmisch handgeklap hitsen de omstanders de kemphanen op, die naar elkaar uithalen met molenwiekende sprongen. Rakelings scheert een voet langs een gezicht, in een eindeloze breakdance die duidelijk niet de ambitie heeft zijn wortels als gevechtssport te verhullen. "Verborgen in het manshoge suikerriet vermomden de slaven hun gevechtsoefeningen als een dans, maar het was wel degelijk een voetengevecht op het scherp van de snee", verduidelijkt onze gids. Uitblazen doen we aan het strand van Barra, vlakbij de vuurtoren, waar de baai de Atlantische Oceaan ontmoet. Volgens kenners is dit één van de mooiste stadsstranden ter wereld. Een witte kapel aan de ene kant en het Forte de Santo Antonio da Barra aan de andere kant nemen de kleine baai in bescherming. De vele restaurants langs het strand zijn allemaal georiënteerd op de ondergaande zon en bieden dus zonder één uitzondering het ideale terras voor een avond vol betovering. Zij vormen ook de ideale plaats om moqueca te proeven, een visstoofpotje met palmolie en kokosmelk. Of ensopada voor gevoelige magen: de lichtere versie van hetzelfde gerecht, maar zonder palmolie. Via de Linha Verde, een nieuwe snelweg die de kust van Bahia ontsluit, verkennen we de stranden ten noorden van Salvador, richting Recife. Sinds de bouw van de snelweg investeren steeds meer internationale hotelketens langs deze Costa dos Coqueiros. Het is dan ook een spectaculaire kuststreek. De kans dat de stilte hier nog lang de eerste viool speelt, is klein. In het vissersdorp Subaúma zijn nu al de eerste surfers neergestreken. Ze dobberen geduldig op en neer, wachtend op dé golf die hen naar het strand zal katapulteren. Langs de vloedlijn oefenen toekomstige Pelé's hun kunstjes. En achter het drooggevallen rif, waar bij laag tij zwempoelen achterblijven, zonnen meisjes en bouwen kinderen zandkastelen. Op de wekelijkse markt van Conde staan de kraampjes bol van de aardewerken potten vol papaja's en manden propvol blauwe krabben. En Mangue Seco ligt in het uiterste noorden van Bahia, op de grens met de provincie Sergipe. Braziliaanse soap-liefhebbers kennen de plek omdat hier het huis van Tieta staat, een personage uit een novelle van Jorge Amado, zeg maar de Braziliaanse Hugo Claus. Dit schiereiland tussen de zee en de riviermonding telt massa's mangroves, een boomsoort waarvan de neerhangende takken wortels krijgen waardoor elke boom uiteindelijk uit verschillende stammen gaat bestaan. Een bootje brengt bezoekers over de Rìo Real naar het strand aan de voet van de vuurtoren. Met een beetje geluk schuiven straks enkele reuzegrote zeeschildpadden hen onderweg voorbij. In Praya do Sacco stappen we over in een buggy, hét vervoermiddel op dit schiereiland. De Brazilianen zijn er gek van. Niets vinden ze leuker dan in zo'n omgebouwde kever langs de verlaten waterlijn te razen, gratis gezandstraald door de zilte wind. Zeewater spat op onder de banden, de dames joelen op de achterbank, de chauffeur lacht en draait de duinen in, op zoek naar het hoogste punt. Daar verhuurt een jongen skateboards voor een partijtje zandboarden. We proberen ons tevergeefs recht te houden op dat ding, tot groot jolijt van de Brazilianen. Neen, dan lijkt een hangmat tussen de palmbomen hier een betere optie! n Jo Fransen