Van mei tot augustus vindt in Yeosu, aan de Zuid-Koreaanse zuidkust, de Wereldexpo 2012 plaats. De ideale gelegenheid om een land te ontdekken waar boeddhistische tempels, oude dorpen en kunststeden elkaar afwisselen, op een reisroute die nog niet platgetreden is door het massatoerisme.
...

Van mei tot augustus vindt in Yeosu, aan de Zuid-Koreaanse zuidkust, de Wereldexpo 2012 plaats. De ideale gelegenheid om een land te ontdekken waar boeddhistische tempels, oude dorpen en kunststeden elkaar afwisselen, op een reisroute die nog niet platgetreden is door het massatoerisme. Met fonkelende ogen vertelt Kim Bangsik over zijn woonplaats Gunja, een piepklein bergdorp. De vijf eeuwen oude houten huizen van zijn familie moesten in de jaren '70 wijken voor de Andong-dam. Ze werden op deze prachtige, bosrijke plek heropgebouwd. Er wonen slechts enkele afstammelingen. De 800.000 andere leden van deze zeer oude familie leven verspreid over het schiereiland. Maar elke lente vinden hier confucianistische rituelen voor de voorouders plaats. Traditionalisten trekken dan fraaie, oude kostuums aan en praten over heden en verleden. Kim, een elegante zestiger en liefhebber van fotografie, runt een Bed & Breakfast. Een kunstenaarsnest. Hij doet niets liever dan zijn foto's en die van Koreaanse kunstenaars te tonen. De kunstwerken bejubelen de oppermachtige natuur, de teerheid van een bloem, de charme van een lichtstraal, de schoonheid van een hanok, het traditionele Koreaanse huis. De voorbije decennia kende Zuid-Korea een spectaculaire groei en ongeziene veranderingen. De verstedelijking grijpt om zich heen, de moder- niteit is alom en in de kleinste uithoeken op het platteland is inmiddels beton te vinden. Er geldt zelfs een verbod op strooien daken om brand te voorkomen. Gelukkig wisten sommige initiatieven de levensstijl van de zeldzame berggemeenschappen te bewaren. Zoals de 60 hutten met goudgele daken langs de Nakdong-rivier in Hahoe, een dorp ten westen van Andong. Hahoe staat op de Werelderfgoedlijst en lokt veel toeristen, maar het is geen museum. Er wordt geleefd. De 200 inwoners houden er trots de gemaskerde danstradities hoog. Honderd kilometer zuidelijker ligt een ander wonderlijk dorp, Yangdong. Hoewel minder bekend, lijkt het wel drukker bezocht. De inwoners leven er aan een gezapig tempo en de 160 historische huizen werden opgetrokken tussen rijstvelden en beboste heuvels. Verderop bevindt zich Gyeongju, de vroegere hoofdstad van het koninkrijk Silla, waarvan de koningen in de zevende eeuw het hele zuidelijke deel van het schiereiland beheersten. Het stadje is nu gehuld in herinneringen. De parken zijn bezaaid met grafheuvels waarin de koninklijke graftombes ondergebracht zijn. Archeologen hebben er buitengewone kunstschatten opgegraven: kostbare gouden kronen, wapens, beeldjes van krijgers en boeddha's. Deze stille getuigen van een verfijnde beschaving zijn te zien in het museum van Gyeongju. De stad bewaart nog een ander indrukwekkend overblijfsel: Cheom-seongdae, een mysterieus observatorium dat 1400 jaar geleden gebouwd werd. De toren is een van de oudste wetenschappelijke monumenten ter wereld en het oudste observatorium van het Verre Oosten. Maar ook de bossen rond de koninklijke stad verbergen schatten. Op de helling van de berg Toham bevindt zich de boeddhistische Bulguksatempel uit 751. Ook dit meesterwerk van religieuze kunst staat op de Werelderfgoedlijst. Het terras met twee stenen trappen, de paviljoenen met dakpannen, de pagodes en de schilderijen of beeldhouwwerken van demonen om boze geesten op afstand te houden, maken er een echt juweeltje van. Ook de naburige Seokguramgrot, met zijn buitengewone boeddhabeeld, wordt vaak bezocht door pelgrims. Toch kent het boeddhisme in Korea een teruggang. Sinds kort is het christendom er de belangrijkste godsdienst. De klokkentorens van de kerken willen in hoogte niet voor mekaar onderdoen en protestanten en katholieken vechten om zieltjes. In het hooggebergte van Gayasan, in het midden van het schiereiland, bevindt zich het klooster van Haeinsa, een van de drie parels van het Koreaanse boeddhisme. Om drie uur 's morgens worden we gewekt. Met enige moeite staan we op en trekken we onze monnikspij aan. In stilte wandelen we achter elkaar naar de hoofdbinnenplaats waar bonzen om beurten op een gigantische trommel slaan. Gedurende enkele lange minuten worden we overmeesterd door het ritme van de trommel terwijl we verkleumd in de ijzige kou van de voorjaarsmorgen staan. Daarna wandelen we naar het hoofdgebouw om neer te knielen voor de boeddhabeelden. Monniken zingen duizendjarige mantra's. Nadien eten we een vegetarische maaltijd en praten we met twee jonge bonzen die ons thee aanbieden. U kunt zich in Haeinsa en in een 50-tal andere Koreaanse kloosters onderdompelen in het monnikenleven, een onvergetelijke ervaring waarbij u uw eigen behoeften en verlangens moet loslaten. Mannen en vrouwen slapen in aparte slaapzalen. U wordt er hartelijk ontvangen maar stilte en respect zijn uiterst belangrijk. Haiensa, uitgeroepen tot Werelderfgoed, is tevens de bewaarplaats van een erg waardevolle schat: de tripitaka koreana. De 81.258 houten drukblokken met heilige teksten dateren uit de 13de eeuw en tellen 52 miljoen karakters. Het graveerwerk duurde 16 jaar en bevat geen enkele schrijffout! De vier gebouwen waarin de blokken bewaard worden, rusten op een bodem van lagen zout en houtskool om de vochtigheid te regelen. De opengewerkte ramen van verschillende grootte regelen een optimale luchtcirculatie, wat verklaart waarom de blokken zo goed bewaard bleven. Een man kijkt met een verrekijker naar Noord-Koreaans grondgebied. Misschien zoekt hij een teken, een aanwijzing? Veel Zuid-Koreanen hebben familie in het verouderde en onderontwikkelde Noord-Korea. Een bezoek aan de Demilitarised Zone, het laatste overblijfsel van de koude oorlog, op de grens tussen Noord- en Zuid-Korea, laat niemand onberoerd. Echt aangrijpend is het om de 1.600 m lange tunnel te verkennen die in de jaren '70 door de Noord-Koreanen gegraven werd om naar het zuiden te vluchten. Het meest verrassende is dat dit niemandsland van 4 km breed en 248 km lang een beschermd gebied is geworden waar de natuur meester is. Herten, arenden, kraanvogels, wilde zwanen, monniksgieren, ganzen en vele andere diersoorten leven er een goed leven en malen niet om de mijnenvelden en de waanzin van de mensen. De oorlog tussen de communistische wereld en een coalitie van de Verenigde Naties maakte van 1950 tot 1953 drie miljoen slachtoffers. Ook veel Belgische soldaten vochten hier. 101 zijn er gestorven. Op minder dan een uur rijden ligt de hoofdstad Seoel waar het veel aangenamer vertoeven is. Het is een bruisende metropool met veel facetten. Koninklijke paleizen flankeren er hypermoderne winkelcentra. De winkeltjes en theehuizen van Insadong liggen vlakbij Bukchon, een wijk met 900 hanoks. Wat heerlijk om door de straatjes met ambachtelijke winkels en eettentjes te slenteren, een oase van rust in het hart van de grootstad. De Koreaanse keuken is trouwens uitzonderlijk rijk en gevarieerd. Koreanen houden van gegrild vlees, rijst, vis en kimchi, gefermenteerde en gekruide kool. Hun maaltijden spoelen ze weg met bier, rijst- of pruimenalcohol. Koreanen zijn echte levensgenieters en lekkerbekken. Eten kost hier trouwens maar vier tot tien euro! Die liefde voor het leven, de natuur en de moderniteit moet ook tot uiting komen in de Expo die plaats heeft in het kleine havenstadje Yeosu, in het zuiden van het schiereiland. Thema is de biodiversiteit van de kusten en oceanen. De futuristische paviljoenen strekken zich uit over meer dan 250.000 m2. Honderd landen nemen deel en de organisatoren verwachten acht miljoen bezoekers. Tekst en foto's: Paul Lorsignol