Al meer dan tien jaar neemt de populariteit van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bij het grote publiek toe. Dit succes is eenvoudig te verklaren: spreiding van de beleggingen, minimale inleg en dagelijks beheer door professionelen. Een fonds is immers niets anders dan een gezamenlijke pot waarin het geld van verschillende individuele spaarders wordt verzameld. Dat geld wordt beheerd volgens een strategie die bij de creatie van het fonds werd vastgelegd.
...

Al meer dan tien jaar neemt de populariteit van gemeenschappelijke beleggingsfondsen bij het grote publiek toe. Dit succes is eenvoudig te verklaren: spreiding van de beleggingen, minimale inleg en dagelijks beheer door professionelen. Een fonds is immers niets anders dan een gezamenlijke pot waarin het geld van verschillende individuele spaarders wordt verzameld. Dat geld wordt beheerd volgens een strategie die bij de creatie van het fonds werd vastgelegd. Voor veel spaarders is geld in een fonds beleggen synoniem voor gemak en zorgeloosheid. Maar dan moeten ze wel goed weten in welke activa het fonds belegt! Er zijn immers erg veilige fondsen (voor 100 % belegd in obligaties in euro van de beste kwaliteit), maar ook erg risicovolle (die beleggen in goudmijnen of in tele- comaandelen, bijvoorbeeld), er zijn fondsen mét en zonder kapitaalgarantie, fondsen die hun interesten jaarlijks uitkeren en die de interest kapitaliseren. Eigenlijk is bijna alles mogelijk. Van bij de start moet dan ook het risicoprofiel goed worden bepaald, en moet in het achterhoofd worden gehouden op welke return men hoopt. Dit zijn essentiële ijkpunten voor de klassieke formules. Wanneer men het heeft over een gemengd fonds met een defensief profiel, dan bedoelt men daarmee gewoonlijk een activaverdeling die ongeveer de verhouding 70 % obligaties û 30 % aandelen volgt. Een dynamisch profiel betekent meestal een verhouding 30 % obligaties - 70 % aandelen. Op het eerste gezicht is het verschil tussen de fondsen die bankiers aanbieden en de fondsen van verzekeraars niet zo duidelijk. Het basisprincipe is immers hetzelfde, maar de juridische inkleding verschilt. Dat heeft gevolgen voor de fiscaliteit, de nalatenschapsplanning en het kostenplaatje in het algemeen. Bij de bankformule krijgt de spaarder voor zijn geld deelbewijzen van een vennootschap (een bevek of beleggingsvennootschap met variabel kapitaal). Hij wordt dus mede-eigenaar (in verhouding tot zijn inleg) van de beleggingsportefeuille die door de beheerder van de vennootschap wordt beheerd. De deelbewijzen kunnen aan toonder zijn en fysiek geleverd worden (dus anoniem) of ze kunnen worden overgeschreven op een effectenrekening op naam. Wie op een verzekeringsfonds inschrijft, ondertekent een verzekeringscontract dat aan een beleggingsfonds is gekoppeld. In het jargon spreekt men dan van beleggingsverzekeringen in Tak 23, die in aandelen en obligaties kunnen beleggen. De verzekerde heeft dus een schuldvordering op zijn verzekeraar, maar die blijft eigenaar van de portefeuille. Bij zo'n verzekeringsformule kan bovendien een bijkomende dekking bij overlijden worden ingebouwd. Deze dekking kan ook een erg nuttig instrument zijn in de planning van een nalatenschap. LET OP In de praktijk zijn verzekeringsfondsen niet altijd veiliger dan bankfondsen. In beide gevallen ligt het risico van de evolutie van de portefeuillewaarde bij de spaarder: hij moet zich vooraf goed informeren over de gevolgde beleggingspolitiek en over de activa die het fonds al dan niet in de portefeuille kan nemen. Over het algemeen (maar er zijn uitzonderingen) kunnen we stellen dat de kosten bij verzekeringsfondsen hoger liggen dan bij bankfondsen. Toch worden in beide gevallen kosten aangerekend bij de aankoop én er zijn ook de jaarlijkse beheerskosten. Instapkosten Al wie inschrijft op een fonds moet een instapcommissie betalen die gewoonlijk wordt uitgedrukt als een percentage van het inschrijvingsbedrag. Zodra het fonds zijn portefeuille gedeeltelijk (of volledig) in aandelen belegt, liggen de instapkosten hoger. Ze kunnen dan 1, 2 of 3 % bedragen, of zelfs nog meer. Meestal rekenen zuivere obligatiefondsen een instapkost tussen 0,75 en 2 % aan. Steeds meer financiële instellingen werken met degressieve instapkosten, in functie van het onderschreven bedrag. Een voorbeeld: een grote Belgische bank werkt met een systeem van degressieve instapkosten op beveks in aandelen en gemengde fondsen volgens het onderschreven bedrag. Ze rekent 3 % aan instapkosten voor een onderschreven bedrag van minder dan euro 50.000, 2,5 % voor een bedrag tussen 50.000 en euro 125.000, 2 % tussen 125.000 en euro 250.000 en 1 % boven de euro 250.000. Sommige banken en verzekeringsmaatschappijen geven ook kortingen als een fonds via het internet wordt aangekocht. Beheerskosten De belegger draagt ook de kosten die bedoeld zijn voor de vergoeding van de beheerder van de bevek en het team analisten dat het beleggingsuniversum bestudeert en de beheerder adviseert. Ze worden periodiek (gewoonlijk jaarlijks) afgehouden en uitgedrukt in een percentage van de activa in het fonds (van 0,5 tot 2 %). Deze beheerscommissie varieert sterk naargelang de instelling, maar ook naargelang het fonds. Dat is ook logisch. Het beheer van een obligatiefonds waarvan het referentieuniversum bestaat uit overheidsleningen uit de eurozone, vraagt relatief weinig tijd en intellectuele inspanning. In een aandelenfonds met kleine kapitalisaties op Oost-Europese beurzen kruipt wél veel energie (analyses van jaarverslagen, bedrijfsbezoeken...) en het vraagt om een erg gespecialiseerde beheerder (die dus veel duurder is). Deze kosten romen de netto-inventariswaarde (NIW) van het fonds af. Uitstapkosten Bij bankfondsen worden zelden uitstapkosten aangerekend. Bij verzekeringsfondsen zijn ze schering en in-slag, vooral wanneer de belegger uitstapt in de eerste vijf jaar na de onderschrijving van zijn contract. Die uitstapcommissie kan erg belastend zijn en de totale return zwaar afromen. In de wereld van de bankfondsen kan de belegger kiezen tussen: kapitalisatieformules: de inkomsten van de portefeuille worden aan het vermogen van het fonds toegevoegd en dus geherinvesteerd, wat de netto-inventariswaarde van elk deelbewijs verhoogt. uitkeringsformules: de inkomsten worden volledig of gedeeltelijk uitgekeerd onder de vorm van dividenden. Verzekeringsfondsen werken altijd volgens de kapitalisatieformule. Van de dividenden die een uitkeringsfonds betaalt, wordt in België een roerende voorheffing van 15 % afgehouden. De voorheffing voor een bevek naar buitenlands recht waarvan het dividend in België wordt geïnd bedraagt ook 15 %, maar het stijgt tot 25 % voor fondsen die voor 1 januari 1994 werden uitgegeven. LET OP Int u de dividenden van een bevek naar buitenlands recht in het buitenland, dan bent u verplicht dit aan te geven bij de Belgische belastingadministratie. Bij verzekeringsfondsen kan de belasting vermeden worden indien de looptijd van het contract meer dan 8 jaar bedraagt of door een bijkomende overlijdensdekking van minstens 130 % van de premie. Verzekeraars nemen echter vaak met één hand terug (via de kosten) wat de fiscus met de andere hand laat liggen, zodat de belegger in een verzekeringsfonds uiteindelijk een nettorendement ontvangt dat vergelijkbaar is met het rendement van een gelijkaardig bankfonds. WEETJE Een eventuele meerwaarde wordt niet belast! Tot voor kort legde de fiscus ook een beurstaks op, die steeds verschuldigd was bij de onderschrijving en ook bij de uitbetaling moest worden betaald voor de kapitalisatiedeelbewijzen van bankfondsen (leveringstaks), maar het Europees Hof van Justitie bestempelde deze taks recent als onwettelijk (zie kader: De Belgische fiscus veroordeeld). Voor sommige fondsen, zoals thesauriefondsen, vertaalt de fiscaliteit gekoppeld aan de andere kosten inherent aan een bevek zich in een duidelijke daling van de al magere rendabiliteit van een dergelijke belegging. EEN GOEDE RAAD houd fondsen lang genoeg bij om het geheel van de kosten over een langere periode te kunnen afschrijven, zodat uw fonds optimaal rendeert. Een belangrijke opmerking over bankfondsen: erfgenamen kunnen deelbewijzen van een bevek die zich fysiek in een kluis (of onder een matras) bevinden 'vergeten' bij de aangifte van het overlijden van de bezitter, om zo aan de successierechten te ontsnappen. Let op, dit is fiscale fraude van de zuiverste soort en de straf kan zwaar uitvallen! Bij het overlijden van de eigenaar moeten de deelbewijzen in de nalatenschaps- aangifte worden opgenomen. Onder bepaalde voorwaarden zijn er echter wettelijke middelen om de successierechten volledig of gedeeltelijk te vermijden, met name via een handgift (ten minste drie jaar voor het overlijden). Ook met verzekeringsfondsen zijn diverse technieken voor nalatenschapsplanning mogelijk (bij de onderschrijving van het contract), bijvoorbeeld door de aanduiding van een begunstigde die niet tot de familie behoort. Dit om successierechten te vermijden. VOORBEELD U schenkt (d.m.v. een handgift) uw vriend Tom een geldsom die hij investeert in een verzekeringsfonds. Hij is de begunstigde en u bent de verzekerde. Bovendien staat hij u het afkooprecht af. In de praktijk zal Tom pas geld ontvangen als u overlijdt. U houdt inspraak en kunt de deelbewijzen verkopen wanneer u wilt. Als u na de schenking nog drie jaar in leven blijft, zal Tom geen successierechten moeten betalen. Let op: in dit scenario moeten er absoluut enkele maanden verlopen tussen de schenking en de afstand van het afkooprecht. Hebben de schenking, de ondertekening van het verzekeringscontract en de afstand van het afkooprecht plaats op hetzelfde moment, dan kunnen de fiscus en de erfgenamen immers argumenteren dat het niet om een echte schenking gaat. Voor welke juridische vorm u ook kiest, u eerst grondig informeren over de beleggingspolitiek van het fonds dat u wenst aan te kopen is essentieel. Een analyse van de potentiële risico-returnverhouding is daarbij cruciaal. Fondsen zijn beleggingen op middellange of lange termijn, maar goede prestaties in het verleden bieden jammer genoeg geen absolute garantie voor de toekomst. Fondsenpromotoren geven het risico vaak in hun prospectus aan, meestal weergegeven op een risico-schaal (bijvoorbeeld van 1 tot 6). De informatie over een bankfonds is vaak duidelijker. De CBFA (Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen) controleert de prospectussen en de publiciteit. Bovendien wordt de boek- houding nagekeken door een bedrijfsrevisor erkend door de CBFA. Die kan op elk moment een inspectie uitvoeren. Wilt u hierover meer weten, surf dan naar www.cbfa.be. WEETJESpaarders hoeven niet te vrezen voor een faillissement van de financiële instelling. Een bankfonds mag geen schulden aangaan. Bovendien is het vermogen van een fonds eigendom van de aandeelhouders, en niet van de promotor. Een verzekeringsfonds biedt dezelfde bescherming bij een faillissement: het vermogen van het fonds is bedoeld om de verzekerde te vergoeden. De activa mogen niet worden gebruikt om andere schuldeisers van de verzekeraar terug te betalen. n Philippe Tomberg