In de langwerpige hut uit de bronstijd zit een vrouw in kleren van jute en dierenvellen op haar knieën graankorrels fijn te pletten met een stenen werktuig. Ze mengt de korrels met water en vormt van het deeg een plat brood. Naast haar op de grond is een oventje van leem met hout heet gestookt. Ze legt het deeg op een plat stuk bot en schuift het in het oventje. Wanneer het brood weer uit de oven komt, is het nog altijd plat. Het smaakt niet slecht, maar is nogal taai. Begrijpelijk, want onze verre voorouders hadden van gist nog nooit gehoord.
...