De wetsdokter speelt een belangrijke rol bij verdachte overlijdens. Maar wat houdt zijn taak precies in? Met die vraag trokken we naar dokter Werner Jacobs, een gerechtsarts met jarenlange ervaring en diensthoofd van het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde in het Antwerpse universitaire ziekenhuis.
...

De wetsdokter speelt een belangrijke rol bij verdachte overlijdens. Maar wat houdt zijn taak precies in? Met die vraag trokken we naar dokter Werner Jacobs, een gerechtsarts met jarenlange ervaring en diensthoofd van het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde in het Antwerpse universitaire ziekenhuis. "Onze eerste belangrijke taak bij een verdacht overlijden is het onderzoek ter plaatse. Dit is vooral een oriënterend onderzoek om uit te maken of het echt om een verdacht overlijden gaat, zodat we de politiediensten niet onnodig massaal mobiliseren", legt dokter Jacobs uit. "In de praktijk is een overlijden tegenwoordig verdacht als op het overlijdensattest de vermelding staat dat er 'gerechtelijk geneeskundig bezwaar' is tegen de begrafenis en crematie. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet het parket hiervan in kennis stellen en het is de parketmagistraat die beslist of er een wetsgeneesheer wordt aangesteld, of niet. Het grote probleem is echter dat in België elke geneesheer elk overlijden mag vaststellen. Als een arts in een attest verklaart dat het gaat om een natuurlijk overlijden, dan blijft het daarbij. Iemand die begraven is kan eventueel later nog, als er nieuwe gegevens aan het licht komen, opgegraven worden maar na een crematie is verder onderzoek uiteraard uitgesloten. Daarom werd wettelijk bepaald dat vooraleer iemand gecremeerd kan worden, een tweede arts (de zogenaamde gemeentelijke lijkschouwer) het lichaam moet onderzoeken. Helaas is dat vaak een formaliteit. Maar het gebeurt ook dat er contradicties zijn tussen het overlijdensattest en het attest van de gemeentelijke lijkschouwer wat bewijst dat de wijze waarop sommige artsen beslissingen nemen bij het opstellen van een overlijdensattest niet altijd correct is."Bij elk verdacht of gewelddadig overlijden moet de wetsdokter o.a. het tijdstip van overlijden bepalen. Dat is niet altijd zo eenvoudig. Gaat het om een recent overlijden dan gebeurt dit op basis van de lichaamstemperatuur, -stijfheid en -kleur. Is het lijk al in ontbinding, dan komt er soms een forensisch entomoloog aan te pas. Deze expert kan bepalen wanneer iemand gestorven is aan de hand van de insectensoorten die op het lichaam voorkomen en hun stadium van ontwikkeling. Dokter Jacobs: "Verder bestuderen we ter plaatse het lijk in zijn context, om te zien of dit aanwijzingen oplevert over de manier waarop het slachtoffer overleden is. Bovendien is het bij gewelddadige overlijdens heel belangrijk om te weten hoe het lijk precies werd aangetroffen om de dader achteraf op feitelijke en technische onwaarheden te kunnen betrappen. De politie houdt zich specifiek bezig met de sporen: vingerafdrukken, schoen- en bloedsporen, een stuk voedsel waarin gebeten werd, DNA-sporen, haartjes, vezels,... Wij houden ons bezig met het lichaam zelf. Natuurlijk bestaat er een nauwe samenwerking tussen het gerechtelijke lab en wat wij doen. Het is niet zo dat zij hun exclusieve taken hebben en wij de onze."Als het onderzoek ter plaatse bevestigt dat het om een verdacht of crimineel overlijden gaat, komt het lichaam in het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde terecht, waar een lijkschouwing en meestal ook een toxicologisch onderzoek wordt uitgevoerd. De lijkschouwing begint met een uitwendig onderzoek op zoek naar - al dan niet dodelijke - verwondingen, bijzondere kenmerken zoals littekens en het nemen van stalen van onder meer de cellen en deeltjes die zich onder de nagels van het slachtoffer bevinden. Bij een bijtwonde kan een forensisch tandheelkundige gevorderd worden. Die maakt een afgietsel van het bijtspoor dat later met een afgietsel van het gebit van een verdachte kan vergeleken worden. Forensische tandheelkundigen spelen vaak ook een belangrijke rol bij de identificatie van slachtoffers van rampen of branden. Dokter Jacobs: "De inwendige lijkschouwing die daarop volgt, is belangrijk omdat iemand kan overlijden aan inwendige verwondingen zonder dat je uiterlijk iets merkt. Hier kunnen we tal van onderzoeken en analyses doen en in veel betere omstandigheden werken dan ter plaatse, zeker als het gaat om een lichaam dat al in een gevorderde staat van ontbinding is. In 90 tot 95% van de gevallen kunnen wij na de lijkschouwing de doodsoorzaak meedelen. Bij de overige 5 à 10% gaat het om lijken die in zo'n verre staat van ontbinding verkeren dat we geen betrouwbare uitspraken meer kunnen doen of om een natuurlijke doodsoorzaak die je achteraf niet meer kunt aantonen, zoals een ernstige hartritmestoornis. Wij moeten bepalen of er sporen van geweld zijn die werden toegebracht door derden. Wat een magistraat interesseert - en dat is onze opdrachtgever - is of er al dan niet een derde in het spel is die een hand heeft gehad in het overlijden. DNA-onderzoek (zie ook p. 48) werd voor het eerst gebruikt in een rechtszaak in 1983 in Groot-Brittannië. In België is het gebruik van het DNA-profiel in rechtszaken bij wet geregeld sedert 22 maart 1999. In de DNA-wet stond dat de analyses alleen door erkende laboratoria mochten uitgevoerd worden. De erkenning van die laboratoria kwam er in 2003. Momenteel zijn er 9 erkend. "De bepaling van de DNA-vingerafdruk is een zeer krachtige techniek", legt dokter Jacobs uit. "Een positief DNA-profiel bewijst niet dat je iets gedaan hebt, maar probeer maar eens een verklaring te geven waarom uw DNA op de plaats van de misdaad of op het lijk gevonden werd als het er niet thuishoort! Een positief DNA-staal valt zeer moeilijk te weerleggen. Om een DNA-profiel op te stellen, volstaat een miniem staal. Dat kan op allerlei manieren genomen worden: van een bloedvlek, een spermavlek, een haartje (al dan niet met wortel), maar het staal kan ook met een wisser van een autostuur worden gehaald, van een handrem of een versnellingspook ook al is daar met het blote oog niets op te zien. Het volstaat dat de mogelijke dader iets heeft vastgenomen om een DNA-spoor achter te laten waarop een analyse kan worden uitgevoerd. Haren zonder wortel zijn moeilijker te analyseren dan haren met wortel. Bij een haar mét wortel kan het kern-DNA worden onderzocht. Bij haartjes zonder wortel moet een andere onderzoeksmethode gebruikt worden, die technisch moeilijker is en minder informatie geeft. Maar haren zonder wortel behoren wel tot de meest frequente sporen omdat de mens voortdurend haren verliest. Als we bijvoorbeeld een bivakmuts moeten onderzoeken die gebruikt werd bij een overval, dan zoeken we daarop rond de mondopening speekselsporen, maar ook binnenin naar achtergebleven haren, meestal zonder wortel."Soms wordt in onopgeloste zaken het lijk na jaren nog opnieuw opgegraven om naar DNA-sporen te zoeken. "Alles hangt af van de manier waarop een lichaam of een spoor is bewaard", weet dokter Jacobs. "Een vochtige omgeving is nefast voor DNA. Als iets van in het begin vochtig heeft gelegen, is de kans klein dat je daarop nog een bruikbaar spoor vindt. Maar als iets droog bewaard werd, dan kan je na honderden jaren nog DNA-sporen analyseren."Over wat er nadien met de opgestelde DNA-profielen gebeurt, bestaat een zeer complexe wetgeving. "Van mensen die een zwaar misdrijf begaan hebben en daar ook voor veroordeeld werden, komt het DNA-profiel in de nationale DNA-databank 'veroordeelden' terecht. De overige DNA-profielen die wij in de loop van een onderzoek opstellen, bijvoorbeeld van het slachtoffer van een seksueel misdrijf, komen terecht in de nationale DNA-databank 'sporen'. DNA-analyse kan ook gebruikt worden voor verwantschapsanalyse of vader-schapstests, een beetje in de marge van de gerechtelijke geneeskunde. Zo'n test kan gevraagd worden in het kader van een strafrechterlijk onderzoek. De meeste vaderschapstests gebeuren echter in burgerlijke zaken of op privéverzoek." nLeen Baekelandt - Foto: Frederik Weekx