Voor het eerst sinds twintig jaar staat het belfort van Bergen niet in de steigers. Binnen is de renovatie nog volop bezig maar de 87 meter hoge toren troont weer trots boven de stad uit. Een mooi symbool voor de facelift die Bergen doormaakt. Van een industriële bijna-ruïne naar een bruisende provinciehoofdplaats, waar drie universiteiten en hogescholen voor dynamiek zorgen. En die facelift is niet gedaan. Twee musea, dat van Schone Kunsten en het Folkloremuseum, staan nog in de steigers en gaan in het voorjaar van 2007 open.
...

Voor het eerst sinds twintig jaar staat het belfort van Bergen niet in de steigers. Binnen is de renovatie nog volop bezig maar de 87 meter hoge toren troont weer trots boven de stad uit. Een mooi symbool voor de facelift die Bergen doormaakt. Van een industriële bijna-ruïne naar een bruisende provinciehoofdplaats, waar drie universiteiten en hogescholen voor dynamiek zorgen. En die facelift is niet gedaan. Twee musea, dat van Schone Kunsten en het Folkloremuseum, staan nog in de steigers en gaan in het voorjaar van 2007 open. Bergen is niet groot en laat zich gemakkelijk te voet verkennen of via de gratis minibusjes A of B, die lussen van goed twintig minuten maken in de binnenstad. Beide lijnen vertrekken en komen aan op de Grote Markt. Alleen jammer dat ze niet rijden op zondag. Een stadswandeling moet haast beginnen op de Grote Markt (Grand-Place). Het gerenoveerde plein met het vijftiende-eeuwse gotische stadhuis vormt het kloppende stadshart. Let op de kleuren van sommige gevels: ze tonen exact de kleur die de middeleeuwse gevels ooit hebben gehad. Wees evenmin verbaasd als u voorbijgangers even het hoofdje van een smeedijzeren aapje naast de toegangspoort van het stadhuis ziet aaien. Volgens de traditie brengt het gebaar geluk, op voorwaarde dat u uw linkerhand gebruikt. Als opwarmer voor een wandeling kunt u op de toeristische dienst naast het stadhuis kijken naar een film die in een kwartier de geschiedenis van Bergen oproept. Via de toegangspoort van het stadhuis lopen we dan over het groene binnenplein Jardin du Maïeur naar de Rue d'Enghien. Tijdens de stadsrenovatie werd het asfalt hier en elders in de stad weer vervangen door de straatstenen die ooit het beroemdste product van Henegouwen vormden. Langs de kronkelstraatjes Rue Cronque, Rue des Gades en Rampe du Château voert een nijdige klim ons naar het plein met het belfort (toegankelijk van 12 tot 18 uur). Het 17de-eeuwse monument (het enige barokke belfort van ons land) staat op de hoogste plek van de stad en vormt een baken dat tot in de verre omgeving te zien valt. Eens de renovatie van de binnenkant voltooid is (zomer 2007), zal een lift de bezoekers tot bijna boven in de top van de toren brengen voor een panoramisch uitzicht op de Borinage. Het belfort bevindt zich trouwens op de plaats waar ooit het kasteel van de graven van Henegouwen heeft gestaan. Alleen een 11de-eeuwse kapel (Chapelle Saint-Calixte) herinnert nog aan deze middeleeuwse glorie. Wanneer we de helling van het belfort afdalen, komen we via de Rue des Clercs vanzelf aan de collegiale Sainte-Waudrukerk, bekend om haar glasramen, om de albasten beelden (in het koor) van de renaissancebeeldhouwer Jacques Du Broeucq en om haar kerkschat (gesloten in de winter). Toch wordt de aandacht vooral getrokken door een schrijn van verguld koper dat lijkt te zweven tussen twee zuilen boven het hoofdaltaar. Hierin bevindt zich een deel van de relikwieën van de heilige Waldetrudis, de patrones van de stad. Achter in de kerk ziet u de Car d'Or, een met bladgoud versierde houten koets waarin het schrijn tijdens de Ducasse (kermis) op de eerste zondag na Pinksteren in processie door de stad wordt gevoerd. De mannen die de koets trekken, moeten bij hun terugkeer de zware Car d'Or langs de steile en hobbelige Rampe Sainte-Waudru weer naar omhoog de kerk binnenhalen. In één beweging, zoniet overkomt de stad een ramp in het volgende jaar. Vanaf de kerk kunt u via de Rue des Dominicains, de Place du Parc en de Rue des Marcottes terugkeren naar de Rue de Nimy, één van de hoofdassen van de stad. Tijdens dit gedeelte van de wandeling ziet u veel huizen in Doornikse stijl. Bakstenen wisselen af met raam- en deuromlijstingen van gehamerde natuursteen. . De Rue de Nimy brengt ons terug naar de Grand-Place, maar eerst brengen we een bezoek aan het Mundaneum. Dit centrum herbergt vandaag één van de grootste archieven van ons land. De basis vormt de verzameling van de juristen Paul Otlet en Henri La Fontaine. Zij hadden in de eerste helft van vorige eeuw de ambitie alle kennis van de wereld te bundelen in een soort van internet avant la lettre. Hun project kreeg een ruimte in de Brusselse Eeuwfeestpaleizen maar ging in 1950 ter ziele. Sinds 1998 is het herboren in het Mundaneum in Bergen. Het centrum omvat onder meer een tentoonstellingsruimte waarvan de inrichting door de striptekenaars François Schuiten en Benoît Peeters is bedacht. Ze hebben de wanden bedekt met steekkaartenbakken en het plafond met een sterrenhemel. In het midden van de ruimte zweeft een wereldbol boven een stapel boeken. Momenteel loopt in het Mundaneum een tentoonstelling over de geschiedenis van het boek - met een bijna 2500 jaar oude Egyptische papyrus als blikvanger. Vanop de Grand-Place vertrekt de Rue de Chaussée die uitloopt in de Grand-Rue, samen goed voor bijna 800 meter verkeersvrij winkelen. In beide straten vindt u vooral ketenwinkels maar in de zijstraten Rue des Fripiers en Rue de la Coupe wachten de betere boetieks, eetwinkels, brocanteurs en interieurzaken. Het barokke Baroc (Rue des Fripiers 32) herbergt een goudmijn aan juwelen en modeaccessoires en een koffiehuisje. En in de Charme du Passé (Rue des Fripiers 39) is de kans groot dat u verliefd raakt op een oud meubeltje. Een daguitstap naar Bergen is goed te combineren met een bezoek aan Grand-Hornu, één van Belgiës grootste sites op het gebied van industriële archeologie. De weg erheen (via Cuesmes) voert door het hart van de Borinage, tussen de steeds groener wordende terrils. Grand-Hornu werd tussen 1810 en 1830 gebouwd door de Franse industrieel Henri De Gorge, die zich na 1830 tot Belg liet naturaliseren. Hij wou een soort van modelstad bouwen voor zijn arbeiders. Tegelijk was het complex bedoeld om een sociale controle op het werkvolk mogelijk te maken. Op het hoogtepunt van de bloei (eind 19de eeuw) werden hier twaalf steenkoolputten geëxploiteerd en werkten er 1800 mensen. Alles gebeurde ter plaatse, inclusief de bouw van de stoommachines. De laatste mijn ging dicht in 1954 en vandaag is de site gedeeltelijk geklasseerd. Ze omvat de vroegere fabrieksgebouwen en ruim 440 arbeidershuisjes. De werkplaatsen zijn geschaard rond een vierkanten en een ovalen binnenplein, de arbeidershuisjes liggen er in een zestal straten omheen. Alleen al de omvang van het complex is even indrukwekkend als de hoeveelheid Europees reconversiegeld dat aan de renovatie is besteed. De fabrieksgebouwen herbergen nu twee tentoonstellingsruimtes: Grand-Hornu Images en Mac's (Museum voor Hedendaagse Kunsten). De zalen van het Mac's werden door architect Pierre Hebbelinck knap in de oude architectuur ingepast met verrassende trappen en lichtinvallen. De zwartgeverfde bakstenen herinneren aan de steenkool. Een aanrader is het gidsje Wandeling rond Grand-Hornu (te koop in de museumwinkel, euro 2,50). Aan de hand hiervan kunt u een wandeling (3,5 km) rond de site maken en de locaties van de mijnschachten terugvinden. Als de aardolie ooit uitgeput raakt en alternatieve energiebronnen onvoldoende blijken, zullen we misschien dankbaar zijn om de steenkool die hier honderden meters diep nog te wachten ligt! n Ludo Hugaerts - Foto's Michel Vaerewijck