Robert V. zal zich zijn laatste werkdag op zijn elektronicabedrijf nog lang herinneren. Rond drie uur 's middags nam een collega hem mee naar het bedrijfsrestaurant. Dat was ingericht als een rechtszaal en hijzelf bleek de beklaagde te zijn. Eén van de collega's speelde voor rechter, een andere voor openbare aanklager, een derde voor advocaat (alledrie in een echte toga). De openbare aanklager argumenteerde dat Robert nog niet met pensioen mocht gaan. Als bewijs riep hij getuigen op die kwamen vertellen over flaters die Robert in zijn loopbaan had begaan, en over sommige minder aantrekkelijke karaktertrekken. Zijn advocaat had niets dan lof voor de toewijding en de capaciteiten van de beklaagde. Ook hij had getuigen, zowel collega's als relaties buiten het bedrijf. Na de pleidooien trok de rechter zich terug, om na tien minuten terug te keren met een grote enveloppe in zijn hand. Plechtig las hij het vonnis voor: hij verwierp alle be-schuldigingen en verleende aan Robert eervol pensioen. Met een dikke cheque van het bedrijf als schadeloosstelling.
...