In februari 2007 publiceerde Assuralia, de beroepsorganisatie van de verzekeringsondernemingen, de resultaten van de levensverzekeringen voor 2006. De tendens is een vermindering en de grote schuldige daarvoor is de fameuze belasting (1,1%) die de regering vanaf 1 januari 2006 op de levensverzekeringen heft. En toch blijkt uit cijfers van de Nationale Bank dat de Belgen om en bij de 180 miljard euro in dergelijke verzekeringsproducten hebben geïnvesteerd. Dat is ongeveer 22% van het totale financiële vermogen (exclusief vastgoed) van de Belgische gezinnen. Hierdoor zijn de levensverzekeringen het belangrijkste stuk van het financiële vermogen geworden van de gemiddelde Belg. Op de tweede plaats komt het spaarboekje (ongeveer 150 miljard of 19%), op de derde de beleggingsfondsen.
...

In februari 2007 publiceerde Assuralia, de beroepsorganisatie van de verzekeringsondernemingen, de resultaten van de levensverzekeringen voor 2006. De tendens is een vermindering en de grote schuldige daarvoor is de fameuze belasting (1,1%) die de regering vanaf 1 januari 2006 op de levensverzekeringen heft. En toch blijkt uit cijfers van de Nationale Bank dat de Belgen om en bij de 180 miljard euro in dergelijke verzekeringsproducten hebben geïnvesteerd. Dat is ongeveer 22% van het totale financiële vermogen (exclusief vastgoed) van de Belgische gezinnen. Hierdoor zijn de levensverzekeringen het belangrijkste stuk van het financiële vermogen geworden van de gemiddelde Belg. Op de tweede plaats komt het spaarboekje (ongeveer 150 miljard of 19%), op de derde de beleggingsfondsen. Nu dekt de klassieke levensverzekering eigenlijk niet het leven, maar wel het overlijden. In die zin zouden we beter spreken van een overlijdensverzekering: de begunstigde krijgt een som uitbetaald als de verzekerde overlijdt. Maar de levensverzekering is inmiddels veel breder geworden dan dat. Ze kan ook het risico dekken dat de verzekerde blijft leven (of beter: de uitgaven die daarmee gepaard gaan) en is als dusdanig uitgegroeid tot een bijzondere vorm van sparen en beleggen. Door de diverse vormen en voorwaarden is het echter moeilijk om door de bomen nog het bos te zien. Vandaar dat we in dit dossier de diverse vormen van sparen en beleggen door middel van verzekeringen overlopen: van de zogenaamde tak 21-producten (met rendements- of kapitaalgarantie + bonus), via de tak 23- (fondsen in een verzekeringskleedje) tot de nieuwe tak 26-producten (kapitalisatiecontracten). Tot de zogenaamde tak 21-producten behoren in eerste instantie de uiterst populaire spaarverzekeringen (zoals First, Crest, Afer, ING Optima, Dexia Life Capital, enz.), soms ook wel verzekeringsrekeningen genoemd. We kunnen ze opdelen in 2 soorten, namelijk spaarverzekeringen met een gegarandeerd rendement (een gewaarborgde minimumrentevoet van bijv. 2,75%, plus bonus) en spaarverzekeringen met enkel een kapitaalgarantie (0% minimumrentevoet, plus bonus). Maar tot deze tak 21 behoren ook de verzekeringsbons en de klassieke levensverzekeringen (al dan niet met een soepele spaarvorm) waarvoor u een fiscaal voordeel kunt genieten. In dit dossier concentreren we ons op de spaarverzekeringen en de verzekeringsbons. We kijken of ze een valabel alternatief kunnen vormen voor kasbons en obligaties, of voor het klassieke spaarboekje. Risico? Geen. Spaarverzekeringen met een gegarandeerd rendement richten zich naar beleggers die niet graag risico's nemen, en die hun geld normaal gezien dus in klassieke, veilige producten zouden beleggen zoals spaarrekeningen, kasbons, termijnrekeningen of obligaties in euro. Voor deze beleggers is een kapitaalgarantie een echte must (ze behouden in elk geval hun inleg) en het rendement moet relatief zeker zijn. Rendement? Een dergelijke spaarverzekering is een belegging in de vorm van een verzekering waarbij u in principe vrij premies (geldbedragen) kunt storten. Hierop krijgt u een gewaarborgd rendement (momenteel tussen de 2,5 en 3,25%, naargelang de bank of de verzekeringsmaatschappij). Bovendien wordt dit rendement gegarandeerd voor een bepaalde periode (meestal 8 jaar of meer). De gewaarborgde rentevoet evolueert mee met de rentestand en kan op ieder ogenblik aangepast worden voor nieuwe stortingen, naargelang de rente stijgt of daalt. Bonus? Bovenop dit gegarandeerde rendement kunt u nog een bonus of een winstdeelname ontvangen die kan variëren volgens de prestaties van de maatschappij. De laatste 2 jaar lag dit totale rendement doorgaans tussen de 4 en de 4,5% per jaar. Roerende voorheffing? Geen, tenminste als u het geld opvraagt meer dan 8 jaar na de eerste storting of als u een overlijdensdekking neemt van minimaal 130% van de gestorte premies. Dit laatste heeft echter tot gevolg dat u een lagere gewaarborgde rentevoet krijgt zodat dit in de praktijk weinig voorkomt. Net omdat u geen roerende voorheffing betaalt bij opvraging na 8 jaar, lopen de tak 21-producten met een gegarandeerd rendement minstens 8 jaar en 1 dag. Tussentijds geld afhalen? U kunt geld opnemen voor het einde van de termijn van 8 jaar, maar dat heeft gevolgen. In eerste instantie betaalt u een roerende voorheffing van 15%, berekend op het bedrag van uw gekapitaliseerde interesten. Maar de meeste banken en verzekeringen rekenen ook bijkomende kosten aan. Het bedrag varieert naargelang van de verzekeringsmaatschappij of de bank. Soms gaat het om een percentage (tot 5% het eerste jaar) dat jaar na jaar degressief daalt, soms gaat het om een vast bedrag. Om dit probleem op te vangen bieden bepaalde verzekeringsrekeningen een zogenaamde uitkeringsformule of comfortversie aan. Dan is het mogelijk regelmatig geld op te vragen zonder dat extra kosten aangerekend worden maar u betaalt nog altijd roerende voorheffing (15%) als u geld opvraagt binnen de acht jaar na de eerste storting. TIP Als u in de toekomst een groot bedrag verwacht (bijv. uw groepsverzekering, pensioensparen, obligaties of klikfondsen die aflopen, enz.) dan is het interessant om nu al een tak 21 af te sluiten en daar een bepaalde som op te storten. Het is de datum van de eerste storting die de termijn van 8 jaar doet lopen. Sluit u de tak 21 af 8 jaar voordat bijvoorbeeld het kapitaal van uw groepsverzekering gestort wordt, dan is de minimumlooptijd om de roerende voorheffing te vermijden al voorbij op het moment dat u de som van uw groepsverzekeringen of pensioensparen in uw tak 21 belegt. Indien u dan wenst, kunt u jaarlijks een stukje afhalen zonder dat u uitstapkosten of roerende voorheffing betaalt. Een valabel alternatief? Naast de instapkosten (doorgaans tussen 0 en 2,5%) wordt er sinds januari 2006 ook een premietaks van 1,1% ingehouden. De eerste jaren ontsnapt u in de meeste formules ook niet aan uitstapkosten. Bovendien betaalt u bij gedeeltelijke geldopnames tijdens de eerste 8 jaar roerende voorheffing (15%). Het spreekt vanzelf dat de kosten hierdoor de eerste jaren hoog oplopen. Het is duidelijk dat een verzekeringsrekening met een gegarandeerd rendement zeker geen aan te raden instrument is voor de kortere termijn (minder dan 3 jaar) en dus zeker geen alternatief voor een spaarboekje waar u vlot geld kunt afhalen. Een tak 21 met een gegarandeerd rendement is wél een uitstekend product voor wie geen risico wil nemen en zijn geld minstens 5 -maar liefst 8- jaar kan missen. Als u het minstens 8 jaar laat staan en dus geen roerende voorheffing betaalt, zal het rendement normaal gezien hoger liggen dan bij een klassieke kasbon, een termijnrekening of obligatie in euro. Waarop letten bij een aankoop? Spaarverzekeringen vergelijken is geen makkelijk karwei omdat de kosten en de voorwaarden verschillen van bank tot bank en van verzekeringsmaatschappij tot verzekeringmaatschappij. Uiteraard is het belangrijk dat de instapkosten niet te hoog oplopen want hoe hoger die zijn, hoe meer dit knaagt aan uw rendement. Houd er rekening mee dat u doorgaans kunt onderhandelen over de instapkosten. Hoe hoger het geïnvesteerde kapitaal is, hoe lager de instapkost moet zijn. Zeker voor grotere bedragen betaalt u het best niet meer dan 1 à 1,5% instapkosten. Op het eerste gezicht lijkt het gegarandeerde rendement ook een heel belangrijk element om rekening mee te houden bij uw zoektocht naar de ideale tak 21. Wie absoluut geen risico wil nemen, zal immers liever in een tak 21 stappen met een minimumrendement van 3,25% dan een formule met een gewaarborg rendement van 2,5%. Staar u hier echter niet blind op! Het is het werkelijke rendement dat telt, met andere woorden het gegarandeerde rendement plus de bonus. Hoe hoger het minimumrendement ligt, hoe meer men moet beleggen in obligaties en dan wordt de kans op een grote bonus kleiner. Uiteraard is het onmogelijk te voorspellen wat het werkelijke rendement (inclusief bonus) zal zijn voor de toekomst. Om een indicatie te hebben, vraagt u het best naar de prestaties van de laatste jaren. Hiernaast vindt u een check-list, in volgorde van belangrijkheid. Deze vorm van belegging is relatief nieuw. Sinds een paar jaar brengen banken en verzekeringen ook spaarverzekeringen of tak 21-beleggingen op de markt waarbij geen enkel rendement wordt gegarandeerd. Uw kapitaal is echter (na aftrek van de kosten) wel gewaarborgd. Men spreekt soms over spaarverzekeringen met een minimumrentevoet van 0%. Dergelijke tak 21-beleggingen vindt u onder namen als Ethias First Invest, Safe Invest Bonus (Dexia), Axa Crest 40, Swiss Life Swing Capital, enz. Risico? Het belangrijkste verschil met de spaarverzekering met gegarandeerd rendement is dat een tak 21 met kapitaalsgarantie meer in aandelen belegt (dus meer risico neemt) om een hoger rendement te halen maar dat daardoor geen minimumrendement kan gegarandeerd worden. Rendement? Uw rendement bestaat volledig uit een winstdeelname en uiteraard hangt die af van de resultaten van de onderliggende fondsen. Het aandelengedeelte van die fondsen kan oplopen tot maximaal 40%. Toch blijft het grootste deel (doorgaans 60%) belegd in obligaties. In 2005 en 2006 lag het gemiddelde rendement in de buurt van de 6% per jaar. Roerende voorheffing? Door de looptijd van meer dan 8 jaar, betaalt u geen roerende voorheffing, net zoals bij een gewone spaarverzekering. Instapkosten? Bij deze tak 21 lopen de instapkosten dikwijls op tot 3,5%. Het komt eropaan hierover te onderhandelen zodat u niet meer dan bijv. 2% instapkosten dient te betalen. Een valabel alternatief? Dit product kan interessant zijn omdat u - door een beetje meer risico te nemen - kans maakt op een hoger rendement dan bij een tak 21 met een minimumrendement. Ideaal dus voor mensen die iets meer risico aankunnen, maar voor wie kapitaalsgarantie een must is. Dit product is bovendien ook een stuk eenvoudiger en het rendement is regelmatiger dan de meeste zogenaamde gestructureerde beleggingen met kapitaalgarantie (beter bekend als klikfondsen met kapitaalgarantie) die momenteel de markt overspoelen. Ook hier is de ideale beleggingstermijn 8 jaar of meer. In de jaren 90 werden de zogenaamde verzekeringsbons heel populair omdat het een soort kasbon is waarmee men de roerende voorheffing kon ontwijken. Een verzekeringsbon is dus eigenlijk een kasbon, gedekt door een overlijdensverzekering. Als de koper van de verzekeringsbon overlijdt tijdens de looptijd, dan krijgt de begunstigde een bijkomend bedrag van minstens 30 % van het ingelegde kapitaal bovenop dat kapitaal, wat niet het geval is bij een kasbon. Rendement? Het rendement van een verzekeringbon ligt doorgaans op hetzelfde niveau als dat van een kansbon. Het grote voordeel van een verzekeringsbon is dat u geen roerende voorheffing moet betalen als er een overlijdensverzekering aan verbonden is of als de verzekeringsbon een looptijd van langer dan acht jaar heeft. Kosten? In vergelijking met de kasbon lopen de instapkosten hier op tot ongeveer 2%, plus een premietaks van 1,1% en dan nog eens een verzekeringspremie, die varieert volgens de leeftijd. U mag al vlug op zo'n 3,5% kosten rekenen die uiteraard knagen aan het rendement. Op naam? Een verzekeringsbon is, net zoals de spaarverzekering, op naam. U kunt hem dus niet in een kluis steken wat voorlopig wel nog kan met een kasbon. Een valabel alternatief? Ondanks het feit dat u op een verzekeringbon geen roerende voorheffing betaalt, kiest u toch beter voor een kasbon of een termijnrekening. Rekening houdend met alle kosten en taksen houdt u immers netto meer over aan een kasbon of een termijnrekening. Vandaar dat verzekeringsbons momenteel niet meer populair zijn. Een tak 23 is gewoon een levensverzekering gekoppeld aan een beleggingsfonds. Met andere woorden: een fonds in een verzekeringskleedje. Dit product is ook op naam zoals een tak 21, maar het grote verschil is dat er geen garantie is op kapitaalbehoud of rendement. Het onderliggende fonds is doorgaans een fonds in aandelen, obligaties of cash (of een combinatie daarvan). De waarde van uw belegging is dus volledig afhankelijk van de prestaties van dit fonds. Wie bijvoorbeeld een tak 23 met onderliggend een wereldwijd aandelenfonds heeft, zal de waarde van zijn fonds zwaar zien zakken bij een beurscrash of beurscorrectie. Daar staat tegenover dat u nooit roerende voorheffing moet betalen, ook niet als u uw belegging minder dan acht jaar zou bijhouden. Er zijn een aantal belangrijke verschillen met gewone fondsen (zoals aandelen- en obligatiefondsen). Op naam? Een tak 23 is altijd op naam (u kunt het dus niet in uw kluis leggen) en bestaat uit kapitalisatiedeelbewijzen (zonder coupons). Dit in tegenstelling tot een beleggingsfonds dat zowel aan toonder als op naam kan zijn en dat ook uitkeringsdeelbewijzen (met jaarlijkse coupon) kan verdelen. Looptijd? Een tak 23-contract heeft geen bepaalde looptijd maar wordt beëindigd wanneer de verzekerde overlijdt. Een beleggingsfonds daarentegen blijft doorlopen. Minimale instap? Bij tak 23 geldt doorgaans een minimuminstapbedrag van 2500 euro (of meer). Een beleggingsfonds kunt u al kopen vanaf pakweg 100 à 200 euro. Kosten? Bij een tak 23 moet u 1,1% premiebelasting betalen bij elke storting, maar er is geen beurstaks (bij een kapitalistiefonds betaalt u 1,1% beurstaks bij uitstap, dat is niet het geval bij een distributiefonds). Bij een tak 23 betaalt u de eerste 5 jaar doorgaans hoge uitstapkosten. Ook de instapkosten van een tak 23 kunnen oplopen tot 6% (doorgaans tussen 3 en 6%), terwijl dat bij fondsen doorgaans 2 à 3% is. De jaarlijkse beheerskosten zijn bij een tak 23 dikwijls minder (bijv. 0,022% per week op het aandelencompartiment). TIP Net zoals bij een tak 21 is ook bij een tak 23 onderhandelen over de instapkosten de boodschap. Zorg ervoor dat u op 2 à 3% uitkomt. Sinds kort verschijnt hier en daar ook een tak 23 die wél een bepaalde looptijd heeft en ook een kapitaalgarantie. U kunt slechts éénmaal storten, en de maximumopbrengst is geplafonneerd. Deze versie lijkt zeer sterk op de zogenaamde klikfondsen, maar er zijn doorgaans wel meer kosten verschuldigd. Let wel: hier is wél 15% roerende voorheffing verschuldigd als u binnen de acht jaar na de storting het geld laat uitkeren. De kans dat u een rendement haalt dat hoger is dan een klassieke tak 21 lijkt ons echter niet groot. Wenst u toch meer risico's te nemen, dan kiest u beter voor een spaarverzekering (tak 21) zonder rendementsgarantie, maar enkel met kapitaalgarantie. Buitenlandse tak 23-producten (vooral de Luxemburgse) zijn heel populair. Nochtans bieden ze niet echt een voordeel als we naar de kostenstructuur en de voorwaarden kijken. Maar feit is natuurlijk wel dat een tak 23 (evenals een tak 21) niet onder de Europese Spaarrichtlijn valt. Wie een tak 23 heeft in Luxemburg is verlost van de gevreesde verplichting om zijn buitenlandse bankrekening te vermelden op zijn belastingaangifte. Er is hier immers geen sprake van een bankrekening maar gewoon van een verzekering! Ter informatie: op het vlak van de roerende voorheffing doet u geen voordeel met een Luxemburgse tak 23 want ook in België betaalt u geen roerende voorheffing. Dikwijls hoort men dat de erfgenamen bij een Luxemburgse tak 23 geen successierechten verschuldigd zijn maar dat is niet correct. Als u een tak 23 in Luxemburg hebt en u sterft, dan moeten uw erfgenamen dit uitgekeerde kapitaal wel degelijk opnemen in de aangifte van nalatenschap. Het is wél zo dat de Luxemburgse verzekeringsmaatschappij dit niet automatisch gaat melden aan de Belgische fiscus. Vandaar dat sommige Belgische erfgenamen dit wel eens vergeten aan te geven. Houd er wel rekening mee dat de verjaringstermijn betreffende successierechten in principe 10 jaar en 5 maanden is: erfgenamen die een Luxemburgse tak 23 vergeten aan te geven, zullen lange tijd niet naar buiten kunnen komen met dit geld zonder lastige vragen van de fiscus. Laat u vooral niet wijsmaken dat u met een Luxemburgse (of andere buitenlandse) tak 23 perfect legaal de successierechten kunt ontwijken! Als u enkel op zoek bent naar een belegging in aandelen en/of obligaties kiest u beter voor een fonds dan voor een tak 23. Het product is een stuk eenvoudiger én al bij al zijn de kosten lager en meer transparant. Indien u echter ook denkt aan successieplanning, dan is het te overwegen om in een tak 23 te stappen in plaats van een gewoon fonds. Houd er wel altijd rekening mee dat er geen enkele kapitaalgarantie is, want dit laatste vergeten bankiers en verzekeraars wel eens te zeggen. Niet geschikt dus voor wie op safe wil spelen of weinig risico aankan. Een tak 26, ook wel kapitalisatiecontract genoemd, is hetzelfde als een tak 21 maar richtte zich oorspronkelijk naar vennootschappen en vzw's. Sinds de invoering van de premietaks van 1,1% wordt dit product ook gepromoot bij particulieren omdat er op een tak 26 geen premietaks verschuldigd is. Aan de andere kant heeft een tak 26 als nadeel dat zowel de uitbetaalde interesten als de winstbonussen volledig onderworpen zijn aan de roerende voorheffing. Rendement De meeste tak 26-producten zijn een kopie van de klassieke spaarverzekering (tak 21). De looptijd is doorgaans tussen de 4 en de 8 jaar, dus is het eigenlijk bedoeld als een belegging op middellange tot lange termijn. Net zoals bij een tak 21 krijgt u een gegarandeerd rendement (van bijv. 3%) en ook nog een bonus. In principe kunt u uw geld op elk moment opvragen. Naargelang het geval en de vervulde voorwaarden, zijn er uitstapkosten verschuldigd of is dat volledig gratis. De tak 26 van de Federale (Nova Deposit) is een buitenbeentje. Ze geeft een basispremie van 2,5% en een getrouwheidspremie van 1% en wil dus duidelijk de concurrentie aangaan met het spaarboekje. Let wel, het gaat hier telkens om brutobedragen waarvan nog 15% roerende voorheffing wordt afgehouden (3,5% bruto betekent net geen 3% netto). Een goede concurrent dus voor heel wat spaarboekjes. Momenteel hebben nog maar enkele verzekeringsmaatschappijen een tak 26 die zich tot particulieren richt. Wellicht volgen er nog veel, maar dat zal de toekomst uitwijzen. Een valabel alternatief? Met een tak 26 ontwijkt u de 1,1% premietaks maar betaalt u wel roerende voorheffing. Het is mogelijk dat de tak 26 in de toekomst een aanvaardbaar alternatief kan worden voor spaarboekjes, termijnrekeningen en kasbons.