Rijstkorrels liggen zachtgeel te drogen in de zon. De vele padi's (rijstvelden) tonen hun diepgroene hart. Een wirwar van stokken met wapperende plastiekzakken schrikt de vogels af. Palmbladeren glimmen in het zachte ochtendlicht. Aan de voet van de bananenbomen groeit chili.
...

Rijstkorrels liggen zachtgeel te drogen in de zon. De vele padi's (rijstvelden) tonen hun diepgroene hart. Een wirwar van stokken met wapperende plastiekzakken schrikt de vogels af. Palmbladeren glimmen in het zachte ochtendlicht. Aan de voet van de bananenbomen groeit chili. Het binnenland van Bali is een verademing voor elke overstreste stadsmens die leeft op het ritme van gsm-toontjes, deadlines en productienormen. Toch moet u zich als reiziger wat moeite getroosten om het rustige Bali te ontdekken. De eerste indruk wanneer u uw intrek neemt in een van de vele luxehotels aan de zuidkust, wil wel eens tegenvallen. Het aan de Indische Oceaan gelegen Kuta Beach is de populaire megasupermarkt, dé trendy hotspot waar u verdwaalt in een chaos van boetiekjes, elektrowinkels, warungkraampjes, hotels en disco's. Een ideale plek voor uitgaanstypes maar een nachtmerrie voor wie 'iets anders' zoekt. Gelukkig zijn er in het zuidoosten de rijen knusverlichte restaurants van Sanur Beach. U kunt er voor amper vijf euro de heerlijkste bakmi goreng eten, gebakken noedels op bananenbladeren met stukjes kip, ei, saté met rundvlees en fijne groenten met kecup manis, een zoete sojasaus met een pikant nasmaakje. Luxe is leuk, maar voor het echte Bali moet u in het noorden zijn, diep in het binnenland. Daarvoor moet u eerst voorbij knooppunt Denpasar, de hoofdstad die de haastige automobilist via ellenlange files met de grootste moeite laat passeren. Hier zijn de Balinezen altijd druk in de weer: ze sjouwen hout, lossen en laden zakken rijst en graan, jagen vrachtwagens alle richtingen uit, baten stalletjes uit, wandelen van en naar de hogerop gelegen padi's, bidden in de tempel, hossen rond op een bromfiets of een becak-driewieler. Maar eenmaal deze hindernis genomen, wijken lawaai en drukte geleidelijk voor rust en harmonie. Eén noordelijke weg, richting Batukau, gaat in centraal Bali niet verder dan de prachtige rijstvelden van het dorp Jatiluih, wat letterlijk 'waarlijk schitterend' betekent. U kunt er nauwelijks een tegenligger passeren. Van ver lijkt het of het heuvelige landschap diepgroene rimpels trekt, verbaasd als het is over zoveel zorgzame vlijt. Alsof de smalle strookjes padi ergens rustig aanspoelen aan een uitgestrekt, groen strand. Rijstboeren werken hier als echte landschapsarchitecten aan een indrukwekkend lijnenspel van aarden walletjes die het water doorlaten, tegenhouden, van richting veranderen of eventjes aan de praat houden. Een prachtig staaltje vakmanschap. Hier en daar piekt er een dakje boven de halmen: een slaapplaats voor de planters. En waar u ook komt, overal ziet u pura's: tempels in alle maten en formaten, versierd met kleurrijke bloemen en offergaven. Jatiluih kunt u maar best voor 16 uur verlaten, tenminste als u tijdens de terugreis naar de kust niet de schitterende zonsondergang wilt missen van Tanah Lot, een idyllisch gelegen zeetempel op een door water afgezonderde rots. Deze plek is voor veel Balinezen in meer dan een betekenis een 'rots in de branding' tegen de demonen in zee. Alleen bij eb kunt u de tempel te voet bereiken. De kleine pagode-achtige pura lijkt wel een delicaat Chinees schilderijtje, omgeven door vulkanisch zand. Terwijl jong en oud ingetogen gebeden prevelen voor oeroude goden, stort de zee zich witschuimend op de zwarte rotsen. Een adembenemend schouwspel. Een jong gezin viert feest voor de drie maanden jonge baby. Een priester en wat offergaven moeten zorgen voor een rein en gelukkig leven. Andere groepjes piekfijn uitgedoste Balinezen houden een minipicknick en vragen de goden om hulp en raad voor een goed huwelijk, de genezing van een zieke of geluk met hun nieuwe job. Nog indrukwekkender gaat het eraan toe tijdens een van de vele 'odolans', de jaarlijkse tempelvieringen waarbij massa's keurig gestapeld fruit als offerande aan de voorouderlijke goden worden aangeboden. Het zijn eeuwenoude rituelen, waar het toerisme gelukkig (nog) geen vat op krijgt. De belangrijkste weg naar het noorden loopt van Denpasar helemaal naar Singaraja, een van de drukste havens van het eiland. Onderweg merkt u hoe de bergen steeds hoger worden en de natuur steeds ruiger. Aan de westoever van het Bratan-meer û eigenlijk een grote plas water in een oude vulkaan û kunt u de oase Ulun Danu bezoeken, een met honderden waterlelies afgeboorde tempel ter ere van Dewi Danu, de godin van meren en rivieren. De ligging is zo schilderachtig mooi, dat u er als bezoeker helemaal rustig van wordt. Om het plaatje compleet te maken, snateren eenden tussen het riet en in de verte schuift een roeiboot langzaam voorbij. Even verder naar het noorden kunt u de waterval van Gitgit slechts vinden na een forse klim over een lange reeks hoge trappen. Verloren lopen kunt u hier gelukkig niet: laat u maar leiden door het oorverdovende geraas van de kolkende watermassa. Sommige toeristen waden door het ijskoude water om een foto te maken onder de waterval. Het levert in ieder geval erg natte kiekjes op. Meisjes verkopen halssnoeren en armbanden voor zo'n tien eurocent. Ze zijn goedlachs en lief. En zelfs als u maar één armbandje koopt, lachen ze hun tanden bloot. Wedden dat u zich laat verleiden? Wat is tenslotte tien eurocent? Er is maar één plek op Bali waar u zowel kerken, moskeeën als tempels vindt en dat is de meest noordelijke stad Singaraja, de vroegere hoofdstad. Hier meerden duizend jaar geleden al Chinese kooplui met hun jonken aan. Maar de stad is vooral bekend om zijn unieke bibliotheek, Gedong Kirtya. Hier kunt u dozen vinden vol met in het Sanskriet geschreven teksten en minischilderijtjes op lange smalle palmbladeren. Sommige eeuwenoude Lontar- geschriften werden opgegraven bij Balinese rijstvelden. Vaak vormen deze geschreven fabels, volkskundige stambomen en wetteksten de enige getuigenissen van de geschiedenis van dit land. Gedong Kirtya is een boeiende halte die (gelukkig nog) weinig toeristen kennen. Van hieruit is er maar één weg meer die u kunt volgen, langs de hele noordkust van het eiland. Niet zo ver van Lovina Beach, nabij het dorpje Banjar, kunt u klepon proeven, groene deegballetjes met kleefrijst en bruine suiker, gerold in geraspte kokosnoot. Kleverig, maar superlekker! Vanaf de kustweg naar Bangli maakt u een ommetje naar een van de uniekste vergezichten van Bali: het weidse Batur-meer. Aan de ene kant doemt de zwarte kegel van de vulkaan Batur op. Aan de andere kant contrasteert de scherpe spits van de groene berg Abang opvallend met het zachtblauwe water van het meer, dat de vorm heeft van een halve maan. Ook hier is alle drukte ver weg. Een minuscuul bootje laat een fijn wit lijntje achter, zwaluwen zwenken voorbij. Nog verder hult de meer dan drieduizend meter hoge berg Agung zich in een sliert wolken die van geen wijken wil weten. Alleen wat golfplaten 'huisjes' verraden af en toe dat hier ook mensen wonen. Op de terugweg kunt u moeilijk voorbij het dorp Batubulan, zo'n 10 km van Denpasar vandaan. Daar wordt al generaties lang dagelijks een felle strijd geleverd tussen goed en kwaad tijdens de traditionele Barongdans, wanneer de monsterlijke heksenweduwe Rangda het opneemt tegen Barong, de leeuwachtige god en weldoener van de mens. Hier ontdekt u dat dansen de Indonesiër ingebakken zit. Om en rond de belangrijke tempels vindt u meisjes van nog geen acht jaar, die op elke hand een schoteltje met een steentje dragen dat er nooit mag uitvallen. De ernst waarmee deze kinderen de sierlijke maar moeilijke dansbewegingen onder de knie proberen te krijgen, is ronduit charmant. Uiteraard kunt u Bali niet verlaten zonder een kijkje te nemen in een van de vele kunstateliers van Ubud, een plek waar naarstig gehakt, geschaafd, gesmeed en geschilderd wordt. Ook al zitten alle winkels tjokvol en is er meer voorraad dan ze in tien jaar kunnen verkopen. Sommige beelden kosten tot 50.000 euro omdat er maar liefst drie jaar aan gewerkt werd. Maar uiteraard is er ook een ruime keuze van veel goedkopere kunstwerkjes, van sandelhouten boeddhabeelden tot buffels in mahonie. Een van de vele lokale kunstenaars is Ida Utari, een verpleegster en vroedvrouw en sinds enkele jaren ook schildert. Doeken van haar û vooral fraaie stillevens met bloemen û hebben zelfs hun weg naar Duitse kunstgalerijen gevonden. Net voor de terugreis houdt u nog even halt in Jimbaran, vlakbij de luchthaven. Daar liggen honderden vissersboten te wachten op het meest geschikte moment om weer in zee te gaan. Vissers slepen netten aan, herstellen gescheurde zeilen, timmeren aan de gehavende romp. Een strand als een kluwen van mannen, touwen en doek. Een oprechte wereld waarin volkswijsheden nog klinken als een klok. Het bordje dat de taxichauffeur heeft opgespeld bijvoorbeeld, met de tekst: 'The sweetest freedom is an honest heart' (De zoetste vrijheid is een eerlijk hart). Op een van de golfbrekers van Sanur Beach probeert een kleine jongen een zelfgemaakte vlieger op te laten. Het ding stuikt om de haverklap tegen de grond maar, onbezorgd en onbevangen, trekt de jongen hem telkens opnieuw de lucht in. Plots weet u het heel zeker: de wereld is nog niet om zeep... Georges Gielen