Toen ik 25 jaar geleden dit landelijke dorp ontdekte, op een ideale afstand van belangrijke snelwegen en grote steden, ademde het de sfeer van een Märklin-treintjesdecor uit. Een plein omzoomd met bomen, waar het op de marktdag druk was, cafés waar de oude stamgasten, sigaret in de mondhoek, een kaartje legden, zonder hun bier met perfecte kraag uit het oog te verliezen. Een slagerij waar de winkeljuffrouw dag in dag uit kauwgom kauwde, behalve op maandag. Een bakker die je met zijn monumentale taarten naar de zevende hemel katapulteerde. Een kruidenier wiens kratjes fruit en groenten, met de grond er nog aan, het trottoir inpalmden. Kappers in zulke aantallen dat de inwoners van dit dorp wellicht tot de best gebrushte van het land behoorden. Krantenwinkels met een onnavolgbare geur van inkt, papier en gescherpte potloden. Een opticien, enkele confectiezaken, banken. Een postkantoor, uiteraard. En de fietsenmaker. Twee bloemisten - de ene, wat ouder, en enkel open als het hem uitkwam, die liever had dat je niet betaalde, omdat hij dan geen pasmuntjes in huis hoefde te hebben; de andere, een jonge sympathieke opgeschoten kerel waarvan je je afvroeg of hij stand zou houden (hier heeft iedereen een tuin, bloemen en een moestuin). Een ijsjesverkoper waar de kenners van ver naartoe kwamen, en dat gold ook voor de vrouw van de kaaswinkel, die kaasschotels maakte alsof het kunstwerken waren.

Als ik ze hier allemaal zou opsommen, zou deze pagina een telefoonboek lijken, dus stop ik ermee, maar weet dat er nog tal van andere zaken waren en dit dorp de handelskern vormde voor de wijde omgeving. En ja, er stopten ook auto's, die met een volle koffer weer wegreden, maar meestal werd er gewinkeld in de buurt, te voet, met de fiets of de bromfiets. En toen kwamen de supermarkten - almaar meer, almaar groter - zich in de rand vestigen, op strategische plekken. Goed bereikbaar met de auto, dat wel, en voorzien van grote parkings. Lelijk, onpersoonlijk, met weinig aantrekkelijke uithangborden, waarop overal dezelfde koopwaar werd aangeprezen. Maar makkelijk, moet ik toegeven, zodra je erin slaagde het overvolle rondpunt te verlaten, symbool voor de welvaart van een woestijn die aan zijn lot is ontsnapt.

Vandaag telt de dorpskern nog een handvol winkels, maar wat opvalt is dat de begane grond leegstaat. Op wat spullen na, om het minder leeg te doen lijken. Iets waar niemand zich hier aan laat vangen. Want intussen draait de geruchtenmolen op volle toeren en spaart geen enkele zaak: 'het schijnt dat hij een overnemer zoekt...'. Lekker brood vind je hier wel nog, zolang het duurt. En verder? Zal je binnenkort voor je koffiekoeken op zondag verplicht zijn de auto te nemen naar het centrum, dat andere centrum?

Wie keert er zich in dit verhaal tegen het milieu, tegen het klimaat, tegen de burger, tegen wat je maar wil? Hij die gedwongen wordt de auto te nemen om wortelen te gaan kopen in een standaard biowinkel, in één of ander godvergeten gat?