Elke morgen loop ik door straten die dateren van de eerste uitbreiding van Brussel. Straten waar handelaars destijds mooie panden lieten bouwen om aan het lawaai en de vervuiling van de Vijfhoek te ontsnappen, toen al. Handelaars die er zich later ook definitief kwamen vestigen. De eerste pendelaars, zeg maar. Naar hedendaagse normen kan je deze straten smal noemen. Als er geen eenrichtingsverkeer geldt, proberen accordeonbussen mekaar te kruisen, als gigantische creaturen van schroot. Wie net als ik vijf dagen per week dit schouwspel gadeslaat, kan niet anders dan bewondering tonen voor de behendigheid van deze buschauffeurs.

Op dit deel van het traject bevind ik me in een eenrichtingsstraat met voetpaden aan beide kanten. Ik weet niet of de straatstenen nog uit de tijd van toen dateren, of dat ze, zoals wel vaker, werden heraangelegd met de charme van weleer, maar ze liggen schots en scheef. Hier en daar ontbreekt er een, en geen twee stenen liggen even hoog. Het lijkt wel of alles hier glooit. Maar het is geen gezichtsbedrog, alles glooit ook echt. Tot groot jolijt van de kids die van hun ouders het verbod kregen om fietskunstjes uit te halen op de weg (sinds 1 juni mogen kinderen tot 10 jaar op het trottoir rijden). Doe daar nog wat vuilnisbakken bij, een achtergelaten step waar de wind vrij spel mee heeft, en natuurlijk de onvermijdelijke hondendrollen, en je krijgt wat men in oorlogstijd een mijnenveld noemt. Waar, als het regent, of erger nog, vriest of sneeuwt, elke steen een uitschuiver betekent.

De straatstenen, met putten en bulten, hebben ook geen sikkepit medelijden met de voeten die ze onophoudelijk martelen. Ze dragen zeker bij aan het succes van de sneakers met air-zool, die beter de schokken opvangt dan de lederen stadszool of een zeldzame pump met fijne hak.

Geen wonder dus dat ik elke dag die wat kromgebogen man met witte haren tegenkom, die met kleine stapjes zijn caddy achter zich aan trekt... in het midden van de straat. Want daar ligt asfalt, en die vlakke ondergrond - op een paar kraters na, littekens van vorige winter - belooft 'a walk in the park'.

De beminnelijke man bedankt onveranderlijk de autobestuurders die op de rem zijn gaan staan en hem stapvoets volgen tot bovenaan de straat. Niemand die durft te beweren dat hij op de zenuwen werkt. Je moet niet heiliger willen zijn dan de paus. Ze groeten begripvol terug.

In het grote mobiliteitsdebat is het comfort van de voetganger niet langer een issue, met uitzondering van de brede, prestigieuze trottoirs vol leven, die dienst doen als groen uithangbord en als vogelverschrikker voor auto's. In Zwitserland, pionier op dit vlak, waakt een machtige lobby over deze kwestie. Haar meest recente campagne dateert van het voorjaar: het voetpad is voor voetgangers en dat moet zo blijven. Op voorwaarde dat er een trottoir is, natuurlijk.