Zondagnamiddag op de sofa, gewikkeld in een zachte plaid. Je dompelt je onder in een tv-serie, terwijl je aan je warme chocolademelk nipt en je volstopt met marshmallows. Je hebt comfortabele, losse kleding aan. Straks ga je languit in bad, omringd door geurkaarsen. Wat ben je aan het doen? Je cocoont. Cool in je cocon. Het concept is alom gekend en de term, in 1981 bedacht door de wereldberoemde trendwatcher Faith Popcorn, wordt te pas en te onpas gebruikt. Maar vaker in de zin van een behaaglijk thuisgevoel, dan in de originele, wat minder sympathieke betekenis van huismus.

Cocooning heeft iets weg van hygge, waar natuurdecoratiebladen graag mee uitpakken: het aloude Scandinavische concept van dikke wollen sokken en schapenvellen die welbehagen oproepen, gekoppeld aan een warme, intieme, geruststellende sfeer. Maar dan meer open naar anderen toe: samenkomen met vrienden om van homemade gerechtjes te proeven, te lachen en bevroren meren te trotseren. Het is een (optimistische) levenshouding. Cocooning is dus maar één aspect van hygge. En terwijl die laatste term is ontstaan toen Denemarken grote militaire verliezen leed en zijn grondgebied drastisch zag inkrimpen, is cocooning vooral gelinkt aan een periode van grote vervuiling, angst voor aids en de werkstress die toen al zijn tol eiste.

Met de aanslagen van 9/11 ontstaat bunkering, een trend die, zoals de krijgsterm aangeeft, ons huis de missie toevertrouwt ons tegen de boze buitenwereld te beschermen. Faith Popcorn slaat alweer onmiskenbaar termen met spijkers. Gedaan met reizen, we investeren in ons interieur, de tuin, we halen bewakings- en alarmsystemen in huis, verkleinen onze vriendenkring, thuiswerk doet zijn intrede, samen met online winkelen. We trekken ons terug in onze bunker. In onze bubbel. Zonder dat ook maar één overlegcomité daartoe oproept.

De trend is stilaan vervaagd, en heeft wellicht meer weerklank gehad over de grote plas dan bij ons, ondanks de aanslagen die ook ons in het hart troffen. Toch kunnen we ons niet van de gedachte ontdoen dat toen al de weg werd bereid voor de manier van leven die ons vandaag door dat vuile virus wordt opgelegd, via overheidsmaatregelen. De bubbel mag dan nog geen term op -ing hebben opgeleverd, één ding staat vast: onze vier muren beschermen ons nog steeds tegen de anderen, maar deze keer beschermen ze ook de anderen tegen onszelf. Meer nog dan een cocon, zijn die muren onze leefwereld geworden. Daar waar we onder ons zijn, in onze bubbel. Paradoxaal genoeg zijn die muren, door de digitale opmars, met onder meer de videocall, ook een plek geworden die we delen, onze nieuwe buitenwereld. Bij elke crisis evolueert de band tussen de bewoner en zijn huis, en wordt hij sterker. De architecten weten weer wat doen.

Zondagnamiddag op de sofa, gewikkeld in een zachte plaid. Je dompelt je onder in een tv-serie, terwijl je aan je warme chocolademelk nipt en je volstopt met marshmallows. Je hebt comfortabele, losse kleding aan. Straks ga je languit in bad, omringd door geurkaarsen. Wat ben je aan het doen? Je cocoont. Cool in je cocon. Het concept is alom gekend en de term, in 1981 bedacht door de wereldberoemde trendwatcher Faith Popcorn, wordt te pas en te onpas gebruikt. Maar vaker in de zin van een behaaglijk thuisgevoel, dan in de originele, wat minder sympathieke betekenis van huismus. Cocooning heeft iets weg van hygge, waar natuurdecoratiebladen graag mee uitpakken: het aloude Scandinavische concept van dikke wollen sokken en schapenvellen die welbehagen oproepen, gekoppeld aan een warme, intieme, geruststellende sfeer. Maar dan meer open naar anderen toe: samenkomen met vrienden om van homemade gerechtjes te proeven, te lachen en bevroren meren te trotseren. Het is een (optimistische) levenshouding. Cocooning is dus maar één aspect van hygge. En terwijl die laatste term is ontstaan toen Denemarken grote militaire verliezen leed en zijn grondgebied drastisch zag inkrimpen, is cocooning vooral gelinkt aan een periode van grote vervuiling, angst voor aids en de werkstress die toen al zijn tol eiste. Met de aanslagen van 9/11 ontstaat bunkering, een trend die, zoals de krijgsterm aangeeft, ons huis de missie toevertrouwt ons tegen de boze buitenwereld te beschermen. Faith Popcorn slaat alweer onmiskenbaar termen met spijkers. Gedaan met reizen, we investeren in ons interieur, de tuin, we halen bewakings- en alarmsystemen in huis, verkleinen onze vriendenkring, thuiswerk doet zijn intrede, samen met online winkelen. We trekken ons terug in onze bunker. In onze bubbel. Zonder dat ook maar één overlegcomité daartoe oproept. De trend is stilaan vervaagd, en heeft wellicht meer weerklank gehad over de grote plas dan bij ons, ondanks de aanslagen die ook ons in het hart troffen. Toch kunnen we ons niet van de gedachte ontdoen dat toen al de weg werd bereid voor de manier van leven die ons vandaag door dat vuile virus wordt opgelegd, via overheidsmaatregelen. De bubbel mag dan nog geen term op -ing hebben opgeleverd, één ding staat vast: onze vier muren beschermen ons nog steeds tegen de anderen, maar deze keer beschermen ze ook de anderen tegen onszelf. Meer nog dan een cocon, zijn die muren onze leefwereld geworden. Daar waar we onder ons zijn, in onze bubbel. Paradoxaal genoeg zijn die muren, door de digitale opmars, met onder meer de videocall, ook een plek geworden die we delen, onze nieuwe buitenwereld. Bij elke crisis evolueert de band tussen de bewoner en zijn huis, en wordt hij sterker. De architecten weten weer wat doen.