"Guga Baul noemt mij een kabouter en mijn huis een paddenstoel", vertrouwt Jean Blaute ons toe. Maar in dat kabouterhuisje in Leest zijn wel al veel iconen uit de Belgische muziekgeschiedenis over de vloer geweest: Roland Van Campenhout, Hugo Matthyssen, De Kreuners, Urbanus, De Nieuwe Snaar, Clouseau,... Wij mochten ook op de koffie.
...

"Guga Baul noemt mij een kabouter en mijn huis een paddenstoel", vertrouwt Jean Blaute ons toe. Maar in dat kabouterhuisje in Leest zijn wel al veel iconen uit de Belgische muziekgeschiedenis over de vloer geweest: Roland Van Campenhout, Hugo Matthyssen, De Kreuners, Urbanus, De Nieuwe Snaar, Clouseau,... Wij mochten ook op de koffie. Ik ben onder de indruk dat je nog zo veel verhalen kan oprakelen, terwijl je schrijft dat je niets hebt bij- gehouden. Ik ben een ramp als archivaris van mijn eigen werk. Ik heb amper platen die ik geproducet heb bijgehouden. Maar dat wonderlijke geheugen moet je niet overdrijven. Toen de uitgeverij mij vroeg een autobiografie te schrijven, ben ik als een gek alles wat me te binnen schoot beginnen noteren. Zo'n 900 kapstokjes had ik. Maar het is geen autobiografie geworden. Die zou 2.000 bladzijden tellen en dat leest geen mens. Ik heb het uiteindelijk 'De memoires' genoemd, dan mag je een beetje fouten maken. De titel, 'Met vallen en opstaan', verwijst naar het nummer Tim, van Wim De Craene, dat jij hebt geproducet. Alles waar ik voor sta, zit in dat nummer vervat. Als ik het hoor op de radio zet ik het volume altijd luider. Maar het verwijst natuurlijk ook naar mezelf. Naar mijn raar leven als muzikant en zelfstandige. Ik heb nooit een echte job gehad. De buitenwereld kent mij enkel van dingen die werken, die op televisie komen en die je op de radio hoort. Wat de mensen niet zien zijn de periodes dat het niet lukt, dat je zonder werk zit of je relaties falen. Ik verberg dat niet, maar ik loop daar ook niet mee te koop. Dat is wellicht het gevolg van mijn opvoeding, van mijn jeugd in Zottegem, achter de toonbank van een muziekwinkel. Veel muzikanten van jouw generatie hebben moeten breken met hun roots om het te maken. Dat was bij jou totaal niet het geval. Ik heb dat niet gekend, integendeel. Mijn vader was muzikant, instrumentenbouwer en -stemmer, mijn moeder was heel muzikaal en zot van cabaret en theater. Ik ben nooit gepusht om muzikant te worden, maar was wel altijd omringd door muziek. De instrumenten stonden in de etalage. We verkochten fonoplaten. Er kwamen de hele tijd muzikanten over de vloer. In de jaren 60 werd er in iedere straat wel een bandje opgericht. Ze kwamen die instrumenten bekijken en ik moest dan demonstraties geven van een gitaar, melodica, orgeltje. Ik vond dat als kind allemaal normaal. Daar bestaat tegenwoordig een lelijk woord voor: een nepo baby. De kinderen die hun bekende ouders opvolgen en kritiek krijgen dat ze er minder hard voor moeten werken. Ik heb er net harder voor moeten werken. Ik werd niet gepusht, maar ik werd door mijn vader wel verondersteld het al te kunnen. Mijn ouders waren helemaal niet onder de indruk van mijn muzikaal talent. Ik heb er geen afkeuring voor gekregen, maar ook nooit applaus. Ik kreeg ook nooit instrumenten - behalve een piano. Toen ik op mijn 13de al in bandjes begon te spelen had ik een orgeltje nodig, een versterker en later een gitaar. Die moest ik kopen. Kreeg ik 500 frank voor een optreden, dan ging er 300 frank naar de afbetaling van mijn instrumenten. Ze maakten mij zo wel al duidelijk dat ik ervoor zou moeten werken. En dat muziek maken een job kon zijn. Die mentaliteit is gebleven. Ik heb mezelf nooit als een artiest beschouwd, maar als een vakman. Je hebt redelijk snel beseft dat je een betere producer zou zijn dan frontman van een band. Ik had al heel vroeg ervaren wat het leven van een frontman is toen ik als 13-jarige met het groepje The Eagles - de Zottegemse, niet de Californische - de begeleidingsband werd van Marijn De Valck. Hij was de frontman. Ik heb dat nooit geambieerd. Maar ik wou ook niet in de orkestbak belanden. Je vergelijkt jezelf met wielrenner Nathan Van Hooydonck, de knecht die Wout Van Aert aan zijn overwinningen helpt. Ik ben de tophelper die de frontman naar de meet brengt. Dat heeft met attitude te maken, want ik kan wel zingen. Ik heb een even goede stem als Bob Dylan, maar mijn songs zijn niet zo goed als de zijne. Ik wil voor artiesten die dingen doen waar zij niet mee bezig zijn. Vaak spreekt men van de man aan de knopjes. Maar ik werk altijd samen met een technicus om aan die knopjes te zitten. Ik beschouw me eerder als een coördinator. Ik wil de artiest zo goed mogelijk begrijpen. Tasten naar wat die wil, maar vooral naar wat die niet wil. Je hebt het over de romantiek van de studio. Wat bedoel je daarmee? Er heerst een soort opwinding, zelfs een beetje zenuwachtigheid als je tegen de zanger zegt: ga maar achter de microfoon staan. Je begint in de studio met een wit blad, ook al zijn de arrangementen geschreven en heb je gerepeteerd. Je wordt geconfronteerd met wat je speelt of zingt. Er ontstaan een hoop twijfels en gesprekken. De discussies kunnen hoog oplopen. De studio is een eiland. Daar zit je dan, met vijf bandleden, plus de technieker en ikzelf, voor drie, vier, vijf weken op dat eiland, met gesloten deuren en geluiddichte vensters. Je smeedt een soort verbond, kameraadschap en een groot wederzijds vertrouwen - dat is essentieel. En er groeit een zekere intimiteit. Die muzikanten brengen hun privéleven mee naar de studio, hun akkefietjes, de ruzie met hun vrouw, een ziek kind,... What happens in the studio stays in the studio? Ja, tuurlijk. Want er wordt veel geklungeld. Niet met een vioolsectie. Als je acht of twintig violisten laat opdraven, dan moet het arrangement goed uitgeschreven zijn, want de tijd schuift voort en je moet zes nummers op een dag opnemen. Maar met een bandje moét er een beetje geklungeld worden, tot het goed zit. Soms is het toch ook hard. Ik wist niet dat er zo vaak van muzikant werd gewisseld omdat het niet goed genoeg was. Dat gebeurde tot begin jaren 80 geregeld. Daarna al veel minder en nu is dat nog amper aan de orde. De nieuwe generatie bandjes zijn veel betere muzikanten dan wij vroeger. Ze hebben een muziekopleiding gekregen. Wij kregen destijds enkel een klassieke opleiding, of helemaal geen. Dat resulteert niet noodzakelijk in grotere kunst of betere nummers, maar ze beheersen hun instrument wel beter. Een muzikant vervangen is een van de akeligste dingen die ik als producer heb moeten doen. Het zijn ook vaak jonge mensen die je moet ontgoochelen. Bij K's Choice heb ik, bijvoorbeeld, de bassist moeten vervangen. Ik ben met Gert en Sam Bettens meegegaan toen ze die jongen - hun buurjongen - gingen zeggen dat we een andere bassist zouden vragen. Dat was zo erg. Alsof je aan een kind zegt dat het niet mag meespelen. Maar als producer moet je altijd naar het resultaat kijken. Een van de grootste producers van België, met 30 gouden platen op zijn conto, woont in een klein huisje in Leest. Heb je het verkeerd aan- gepakt? Ik vind dat huisje oké. Ik kan lawaai maken wanneer ik wil, ik kan in de velden gaan wandelen met mijn hondje. Mijn platen kwamen vooral uit in Vlaanderen en Nederland, dan moet je niet dromen van Ferrari's, villa's en luxejachten. Maar ik ben daar ook nooit mee bezig geweest. Het is een genetisch mankement. Het geld gaat op aan leuke dingen. Tot je het echt nodig hebt, want je kan geen ziekte voorzien en ook geen twee jaar stilstand door corona. Dan merk je dat mensen die wat voorzichtiger omspringen met hun inkomen gemakkelijker door zo'n periode heen fietsen. Ik ben daar niet gefrustreerd door, ik heb het toch maar gehad. Maar ik kan niet rentenieren, want met een pensioen van 1.400 euro kom je er niet. Hoe was het als muzikant om drie jaar stil te liggen? De coronaperiode was, zoals bij al mijn collega's, een financiële ramp. Maar door mijn ziekte (reumatoïde artritis, n.v.d.r.) kreeg ik mijn handen zelfs niet ter hoogte van mijn pianoklavier, laat staan dat ik gitaar kon spelen. Dat heeft veel te lang geduurd. Dan raak je niet alleen je routine kwijt, er treedt ook een soort van faalangst op. Ik durf mijn gitaar niet vastpakken uit angst om wat eruit gaat komen. Terwijl ik weet dat als ik twee uur per dag zou oefenen, ik over een maand wel terug heel ver zou staan. Ik flirt natuurlijk graag met de deadline. Vanaf volgend jaar kom ik weer buiten. Het begint met kleine lezingen en kamerconcerten om mezelf weer op gang te waggelen. En vanaf het najaar 2023 trek ik weer naar de theaters, telkens met een verrassingsact.