Op die zondagochtend, eind mei, wordt de wachtrij aan de turnzaal van de oude school almaar langer. Binnen in de zaal nog meer wachtrij, maar op dit punt van het parcours boeken de stemgerechtigden al een eerste overwinning, wanneer ze na wat graaien in hun tas, hun identiteitskaart en oproepingsbrief weten op te diepen. De geluiden weerkaatsen tegen de hoge, vergeelde muren, die bovenaan aan een vorm van lepra lijken te lijden, wellicht het gevolg van waterinsijpeling. De geluiden kaatsen gedempt terug. Er is de geur van hout, decennia lang gevoed door (pre)puberaal zweet, inspanningen, gehijg, triomfantelijke kreten, tranen van pijn en vernedering, van kleintjes met een enorme angst voor de plint. "Vanderdonckt, hef je dik achterwerk op!"

Het hout heeft dat allemaal onthouden, zoals een flink stel hersenen dat trouw en tot in het kleinste detail reconstrueert wat zijn gastheer intussen vergeten was. Er zijn de houten banken, helemaal afgesleten omdat ze zich tegen verschillende generaties blauwe of zwarte shorts hebben aangeschurkt. De grootvader die op 16 jaar gestopt is... omdat de oorlog uitbrak. Zijn plan moest trekken, moest gaan werken, zonder vader, want die was gesneuveld. En de kleinzoon - sterk in wiskunde, maar een nul in turnen - die ingenieur is geworden, zo zie je maar. Er zijn de palen van het doel die afbladderen en het net dat er slap bijhangt. Heeft niemand er dan ooit aan gedacht dit materiaal te vernieuwen?

Welnee, er is niets veranderd! Ik hoef de ogen niet te sluiten om mama te zien - met vers gekrulde haren, in een kokette jurk met psychedelische print - die me komt oppikken in haar onafscheidelijke Fiat 600 (de huidige 500). Die namiddag houden zij en ik een meeting. Als volleerde feministen. In haar kleine autootje dat nul schokken dempt, legt ze me uit dat vrouwen over hun lichaam moeten kunnen beschikken, vrij moeten zijn, gelijk ook. Dat een vrouw - maar dat had ze me al eerder geleerd - moet studeren, dan werken, om over haar eigen geld te beschikken, en nooit afhankelijk te moeten zijn. Zodat ze het kan afbollen de dag dat het misgaat. Nooit mishandeling accepteren, onder welke vorm ook. Nooit. Niets. Eén klap, en dag Jan! Een non had haar dat tijdens haar eigen opleiding toegefluisterd, als een geheim, als een rugzakje voor op reis: "Leg elke dag, al was het maar één frank opzij, op een plek die alleen jij kent."

De geur van plakkaatverf dringt mijn neus binnen. Gewoon door associatie, zeg maar. Ergens in de kelder moet ik nog die affiche hebben liggen die we tijdens de tekenles hebben gemaakt. Eén die opriep om de natuur te respecteren. Toen al beroerde dit thema jongeren en kinderen. Ik herinner me dat ik er met hart en ziel aan gewerkt heb. Jacqueline wou zelfs nooit meer in een appel bijten, uit angst om hem pijn te doen.

Heeft gestemd!

Ik stop mijn identiteitskaart weg. In mijn hoofd weerklinkt een liedje van Les Poppys: "Non non rien n'a changé, tout tout a continué, hey hey".