De onderzoekers, professor Thierry VandenDriessche en zijn collega professor Marinee Chuah, die het onderzoek leidt, slaagden erin om bij proefdieren een functionele kopie van het dystrofine-gen, dat bij defect de aandoening veroorzaakt, in de spiercellen binnen te smokkelen en het ook te activeren.

De Ziekte van Duchenne is een erfelijke ziekte die vooral jongens treft. Naar schatting één op 3500 mannelijke baby's wordt er mee geboren. "Het defecte dystrofine-gen bevindt zich op het X-chromosoom, waardoor de ziekte bijna uitsluitend bij jongens voorkomt", aldus professor Thierry VandenDriessche. "Al vanaf de eerste levensjaren laat de aandoening zich voelen en beginnen de spieren af te takelen. Bij Duchenne zijn dat niet alleen de skeletale spiercellen, maar evengoed de spieren van het middenrif die de ademhaling regelen en de hartspier. De meeste patiënten bezwijken op jonge leeftijd: ze hebben een levensverwachting tussen 20 en 30 jaar."

Gentherapie

Omdat de oorzaak van de ziekte goed gekend is, zochten en vonden Chuah en VandenDriessche een middel om in het genetische materiaal van de spiercellen een kopie binnen te brengen van een functionerend dystrofine-gen, die de werking van het defecte gen kon overnemen. Dergelijke vormen van gentherapie zijn de voorbije tien jaar erg geëvolueerd, met dikwijls prima resultaten voor andere ziektes, zoals hemofilie, een erfelijke bloedstollingsziekte.

"Het grootste probleem was dat we dat functionerend dystrofine-gen tot in alle spiercellen moesten krijgen én dat we het ook moesten kunnen activeren", zegt VandenDriessche. "We hadden dus eerst een moleculaire sleutel nodig. Die moleculaire sleutel vonden we. Restte ons nog een middel te vinden om het gen te activeren. We hebben dat gevonden in de vorm van een soort van lichaamseigen mini-turbomotor die we bij proefdieren aan het dystrofine-gen konden koppelen. Voordeel van de procedure is dat we veel minder actieve stof nodig hebben om een goed effect te ressorteren. We weten immers nog niets over mogelijke neveneffecten van de therapie, waardoor voorzichtigheid geboden is maar het is alvast hoopgevend dat we bij de proefdieren geen neveneffecten hebben kunnen vaststellen."

Van muizen naar mensen

Het is de bedoeling om op een termijn van ongeveer drie jaar met een klinische studie te beginnen, eerst bij jongvolwassenen, later dan wellicht ook bij jongere kinderen en baby's. De resultaten bij proefdieren zijn hoopvol. Het extra gen met de ingebouwde mini-turbomotor blijft bij muizen hun hele leven actief, zodat ze feitelijk genezen van de aandoening. "Het is nog afwachten of dat ook bij mensen zo zal zijn", zegt VandenDriessche.

Tijdens hun onderzoek ontdekten beide professoren nog andere gelijkaardige mini-turbomotoren, die in de toekomst wellicht voor andere erfelijke aandoeningen hun nut zullen bewijzen. Verder onderzoek is daar noodzakelijk. De resultaten van het onderzoek werden vandaag gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications.

Het VUB-onderzoek werd gefinancierd dank zij de Koning Boudewijn Stichting, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en Europese onderzoeksfinanciering. Naast hun aanstelling aan de VUB zijn professoren Chuah en VandenDriessche ook deeltijds aan de KU Leuven verbonden.